tamtamafrikan

tamtamafrikan

Onze Blog

Wilde en andere avonturen op onze rondreis door West-Afrika.

België, Frankrijk, Spanje, Marokko, Mauretanië, Senegal, Mali, Burkina Faso, Mali, Burkina Faso, Ghana, Togo, Benin, Nigeria, Kameroen, Nigeria, Niger, Burkina Faso, Mali, Mauretanië, Marokko, Frankrijk, België

De gouden stad

MaliPosted by veerle Mon, January 19, 2009 13:27:17
Twee weken geleden hebben we Burkina verlaten om even terug te keren naar ons geliefde Mali, meer bepaald om naar Le Festival au Desert te gaan in Essakane, ten westen van Timboektoe.

We zijn vertrokken in Bobo, hebben zonder problemen de grens overgestoken en zijn in één trek doorgereden naar Sévaré. Ondertussen kennen we de weg! Daar kampeerden we weer in auberge Canarie met de gratis wifi, hihi.
De volgende dag pikten we Dara op. Dara, de gids van de Dogon. Hij had immers toen gezegd, als jullie naar het festival gaan, zou ik heel graag meerijden. Wij hebben nog een plaatsje vrij, dus waarom niet. We belden hem op en spraken af in Sévaré, want daar weten wij zijn ouders wonen. Dara was dolenthousiast. Ook hij was nog nooit in Timboektoe geweest.

We gaan op pad en passeren Douentza. We stoppen hier even om inkopen te doen. Terwijl Gert en Dara naar de markt gaan, maak ik een praatje met een man die net terug is van Timboektoe. Hij zegt dat de piste er heel goed bijligt, dat ze die speciaal voor het festival opgekalafaterd hebben. Hoop en al drie uur rijden, beweert hij. Goed nieuws, want volgens de Lonely Planet is het acht uur rijden. Pak nu nog dat het vier uur is, dan nog hebben we genoeg tijd om vandaag nog in Timboektoe te geraken.
Douentza laten we achter ons en we nemen de piste naar Timboektoe. Dè piste naar de legendarische stad! Ik ben in mijn nopjes en Gert ook!
Als we onderweg stoppen om iets te eten, valt het Dara op dat we veel groenten eten en ook dat we onze handen wassen met zeep. Hij vindt dit alles zeer belangrijk. Hij wil vooral dat het Malinese volk beseft hoe belangrijk dit is. ‘Slechts de laatste jaren maakt de staat publiciteit voor het wassen met zeep’, zegt hij, ‘vooral via de radio.’ Dara is er zo gemeend mee begaan, ongelooflijk vind ik dat. Het is me zelf al opgevallen dat er overal langs de kant van de weg grote plakaten staan ter preventie van aids, met welsprekende tekeningen, het eerste land waar we dit zien.
Het landschap wordt steeds woestijnachtiger en is vooral zeer verlaten.

Op een bepaald moment beseffen we dat we Timboektoe niet meer zullen halen voor het donker is. We passeren een kampement, maar Dara stelt voor door te rijden tot aan de bac, de overzetboot over de Niger. ‘Daar zullen we zeker kunnen kamperen,’ zegt hij, ‘en anders rijden we nog door tot Timboektoe. Het is niet ver meer.’ Waarom weet ik eigenlijk niet, maar we volgden zijn raad op. In de pikkendonkere reden we in een bocht bijna de dijk af, de rivier in. Uiteindelijk kwamen we aan bij de bac en wat bleek: de bac vaarde niet meer, pas morgenvroeg om zes uur! Logisch eigenlijk, ‘t is donker! Daar stonden we dan, samen met een groep Italianen die razend waren op hun gids. Bushcampen kan je wel vergeten, je zit op een dijk, links en rechts water en op de dijk stalletjes en hutjes van de ‘bacmensen’. Dara vond het daar echter prima. Hij wou dat we ons als eerste auto zette om morgen de bac op te rijden en daar dus gewoon onze tent opendoen. Dat zagen wij echter niet zitten: morgen om zes uur holderdebolder moeten inpakken, iedereen ophouden die snel op die bac wil, kwade chauffeurs en tussen de kraampjes en mensen, nee danku. We zeiden tegen Dara dat we tijd hadden, dat we toch niet perse die eerste bac moeten hebben. Uiteindelijk hebben we ons naast een familie gezet, met toestemming van de man des huizes, net naast de weg, ietsekes rustiger. Dara mocht, met toestemming van de imam van het bacdorpje, ergens mee in een tent slapen. Hij vond het allemaal dik in orde. Voor ons werd het die avond en de volgende ochtend een kiekeskot, een zottekot, een duivekot of beter gezegd een kindercrèche. Alle backinderen volgden nauwgezet elke beweging die we maakten. De poppenkast was open. Hadden we maar gewoon rustig gebushcamped en niet naar Dara geluisterd. Mensen hier begrijpen echter niet waarom je niet bij mensen wil slapen en waarom wel helemaal alleen in het donker in een bos. Ze willen ook altijd eerst aan de bac of aan een grens ofzo zijn, terwijl het daarna vaak veel rustiger is.
‘s Morgens kijkt Gert nog even de vooras na, omdat er iets is beginnen rammelen na die piste. Dat was voor de kinderen hellemaal feest natuurlijk. Dan draaide ik onze kraan open om af te wassen en stoven ze weer naar mij. Zo ging het heen weer. Wie het interessantste deed, had de kinderen.
Als we met alles klaar waren, namen we rustig de bac. Zalig, een uur op de boot, vind ik wel leuk…
Na de bac bleek het nog 14km asfaltweg naar Timboektoe. Verder dan we dachten. Al goed dat we dat de dag voordien niet in het donker nog gedaan hadden.

Daar zijn we dan, in Timboektoe. Bouba wacht ons op en brengt ons naar zijn familie, naar Salim, de neef van Zenabou. Ze hebben een eenvoudig, maar proper huis, vier kamers, woestijnzand op de grond en een binnenkoer met een tent. Het lijkt ons dat dit gezin het beter heeft dan Zenabou. Wij staan met onze tent op de duin naast het huis. Dara krijgt binnen een plekje. We mogen het toilet, anex douche gebruiken en ten allen tijde rustig op een mat op de koer thee drinken. ‘s Nachts gaat de poort wel op slot, dus ophouden tot ‘s morgens of een putteke graven ☺ De mensen laten ons hier wel met rust. Misschien omdat we bij Salim horen?
Salim vertrok net met toeristen op kamelentocht, dus die hebben we niet veel gezien. We leren Claudia kennen, een gekke Duitse madam, die ooit geld gegeven heeft voor een operatie voor Salim en daarom nu uitgenodigd is door de familie voor het festival.
‘Uitnodigen’, dat is een woord dat al voor veel misverstanden gezorgd heeft tussen culturen:
Salim had Claudia uitgenodigd. Claudia had gezegd: ‘Alleen als ik een goedkoop vliegticket vind, kom ik.’ Salim zei: ‘Als jij tot in Timboektoe kan komen, dan zorg ik voor de rest.’ Claudia vond een goedkoop ticket en kwam af. Ze wist niet dat het festival 130 euro kost. Salim zou het vervoer regelen. Dat deed hij, maar niet met publiek transport, nee, hij huurde een 4x4 voor Claudia en nog twee mensen. Heen en terug zou dit 230 euro kosten, 77 elk dus. Er ging nog een hoop volk mee met de 4x4, Toearegs, familie. Zij kunnen dit niet betalen, dus iedereen gaat ervan uit dat de drie blanken betalen. Claudia had dit alles niet verwacht en wist niet goed wat te doen. Ik had met haar te doen, ze was zo fier dat ze uitgenodigd was…
Dara krijgt van ons een lift. Wij denken hem hiermee een groot plezier te doen. Al gauw blijkt dat hij geen geld heeft, dat hij dus een week lang zal mee eten met ons. Op zich geen probleem, maar het is allemaal zo onduidelijk. Er wordt niet over gepraat, er wordt niets gevraagd, er wordt vanuitgegaan. Is het omdat wij hem ‘uitgenodigd’ hebben?
Toen we in Timboektoe aankwamen, hadden we honger. Bouba zei dat we wat verder in een restaurantje konden eten. Het was toeristisch, dus niet goedkoop. Bouba, Dara, Gert en ik aten er. De rekening komt, niemand mouved, er wordt vanuit gegaan dat wij betalen. Ik ben eigenlijk een beetje slechtgezind. Zelf koken en anderen eten geven, vind ik niet erg, maar de rekening op restaurant betalen, vind ik nog anders. Later zal dit nog eens voorvallen, dan wisten we het al wel en dan konden we de rekening delen met nog enkele nieuwe Belgische vrienden.
Later regelt Bouba publiek vervoer naar het festival voor twee vrienden en vraagt aan hen of het goed is dat Dara met hen mee gaat, zo kan hij met ons mee om de weg te wijzen. Geen enkel probleem, maar weer blijkt dat ervan uitgegaan wordt dat de twee blanken voor Dara betalen.
Bouba helpt ons wel weer om onze weg te vinden in Timboektoe, is het daarom dat hij ervan uitgaat. Evengoed betalen we hem stevig voor een dag als gids, om hem een plezier te doen.
Waar ligt de grens, wat wordt in ruil verwacht voor wat? Voor wat hoort wat? Onduidelijkheid. ‘Uitnodigen’, wat betekent dat woord en wie nodigt wie uit? Of is het gewoon de blanke betaalt? Ik begrijp het niet en ben er wat teleurgesteld in. Op den duur lijken wij geldfreaks, wat echt niet is. We willen gewoon niet met ons laten sollen. Bouba, Dara, gewoon even vragen en niet ervan uitgaan, zou voor mij al veel betekenen.

Bouba heeft ons dus gegidst door zijn geliefde Timboektoe. Hij voerde ons langs drie moskees (niets in vergelijking met die van Djenne), langs de huizen van ontdekkingsreizigers, langs een museum met oude manuscripten (superinteressant!), langs de tent en waterput van Bouctou, stichtster van Timboektoe (geloof ik geen snars van), langs een museum met oude dagdagelijkse voorwerpen van de Toearegs (leuk!), langs de grote markt (eigenlijk klein) en langs de kleine markt (waar is die?).
René Caillié had gelijk, Timboektoe, de gouden stad, stelt niets voor. Het is puur een mythe… Het is er zelfs heel vuil, vuiler dan Djenne (sorry, Bouba). In heel de stad zag ik één vuilbak, de rest ligt op straat. Maar hé, we kunnen wel zeggen dat we in Timboektoe geweest zijn! En dat vind ik toch eigenlijk echt wel tof. Wat wel heel speciaal is aan de stad, is dat ze echt zo afgelegen ligt, 200km piste van de asfaltweg en op de rand van de woestijn. Salims huis ligt echt al in de duinen. Naast zijn huis zijn enkel nog tenten van nomaden.

Een historische noot voor de liefhebbers:
*In het jaar 1000 was er een vrouw, Bouctou (betekent grote navel), die zich settelde naast een waterput. Alle handelskaravanen, van noord naar zuid en van oost naar west, passeerden hier. Bouctou lette soms op spullen van de nomaden, die dit op de terugweg weer oppikten. Zout kwam uit het noorden en werd geruild voor goud, slaven en ivoor dat uit het zuiden kwam. Nu nog steeds vertrekken er dagelijks karavanen met kamelen om zoutplakken te gaan halen in Taoudenni, midden in de woestijn. Het is een trip van ongeveer een maand heen en terug. Die mannen zitten 15 tot 18 uur per dag op hun kameel, eten en slapen erop. Ze eten dadels, apennoten, gedroogd geitenvlees en rijst. Ben je ziek? Pech, je moet verder, geen andere keuze.
In het museum in Bouctou kan je de oorspronkelijke tent met bed en de waterput (die nu droog staat) van Bouctou zien. ‘Altijd bewaard geweest door de familie,’ zeggen de mensen. Ik vind dit echter zeer ongeloofwaardig! ‘t Ziet er mij allemaal nogal nieuw hout uit! Ik kan wel geloven dat het de plaats is waar de waterput was, maar meer toch niet, hoor!
*Vanaf de 14de eeuw werden er islamitische scholen opgericht in Timboektoe. Timboektoe was toen zeker een geletterde stad. Er zijn ongeveer 5 miljoen manuscripten bewaard gebleven! De oudste dateren van de 12de eeuw. De reden waarom ze zo goed zijn bewaard is dankzij het droge klimaat en doordat ze in familiekring bleven. Wij hebben één archief bezocht waar ze manuscripten restaureerden. Je vindt er korans, boeken over biologie en astrologie, poëzie, familiegeschiedenissen van soms 400 jaar… Sommige manuscripten komen van Granada toen in 1492 de moslims verdreven werden uit Andalusië. Superinteressant! De gids in het museum was erg gedreven en fier op hun werk!
*In de 15de eeuw is Timbouctou een rijke stad, maar vanaf de 16de eeuw gaat het achteruit, vooral sinds de Europese schepen een deel van de handel overnamen van de karavanen. In de 18de eeuw is Timboektoe in handen van de Songaï, begin 19de eeuw overheersen de Fula (Peul), eind 19de eeuw de Toearegs. Is die stad dan eigenlijk wel van de Toearegs, zoals zij zelf beweren?
*Timboektoe wordt ook de stad van de 333 heiligen genoemd. De graven liggen deels op een kerkhof, deels in de stad, deels op privégebied. ‘Hoe weten ze dat het er 333 zijn?,’ vraag ik aan Bouba. ‘Euh, er zijn mensen, die dat kunnen weten, die zich daar mee bezig houden.’ ‘Aaah!’
*René Caillié was een arme Franse jongen die in het begin van de 19de eeuw leefde. Hij hoorde dat de Franse staat veel geld zou geven aan de eerste Fransman die Timboektoe zou bereiken en ook levend kon terugkeren. Voorgangers waren immers vermoord en hebben nooit de geheimen van Timboektoe thuis kunnen navertellen. René bereidde zich een jaar voor. Hij bestudeerde de islam en vermomde zich als moslim. Hij bereikte Timboektoe en werd binnengelaten door de imam en aanvaard, omdat hij moslim was. Hij keerde terug naar huis en vertelde dat Timboektoe helemaal geen gouden stad was, dat er niets speciaals aan was. De Fransen waren teleurgesteld en stopten zijn verhaal in de doofpot. Na enkele jaren overleed René aan een ziekte.


In Timboektoe leren we Dieter, Leen, Mariska en Karlien kennen, vrienden van Maïka die ook afkwamen voor het festival. Keileuk om nog eens te kunnen babbelen en van mening te kunnen wisselen met gelijkgezinden, over ‘uitnodigen’ enzo. Bouba, Leen, Mariska en ik trokken nog eens naar de stad, terwijl Gert nog wat aan de auto werkte. Ik vond het reuzegezellig in de stad onder meiden (en Bouba ;-) We kochten samen een hoop groenten op de markt en maakten de afspraak dat we op het festival samen zouden koken, voordelig en gezellig! Toch gemakkelijk afspreken met Vlamingen! Ieder betaalt een deel, we koken samen en wassen samen af!

En dan dus hop naar het festival, naar Essakane! Los zand voor 70km, Salim rijdt voor, Bouba zit bij ons. Gert aan het stuur en het gaat geweldig! Gert vindt het zelfs plezant!

Na drie uur komen we veilig aan en installeren ons op een duin, onder een boom, dichtbij de andere overlanders. We zien Jonnie en Sanna hun Defender al staan! Via hun website wisten we dat ze hier zouden zijn. We hebben hen ontmoet in Chefchaouen, Marokko. Gedurende de drie festivaldagen kletsen we bij, wisselen we info uit. Blijkt dat zij ondertussen Matt en Anna en ook Roxy en Steve hebben leren kennen. De wereld van overlanders is klein.
In de namiddag kon je op een duin naast het hoofdpodium genieten van echt traditionele muziek. En wat liep er ook rond? Een Franse fanfare! Tof eigenlijk! Amateurs die voor het plezier naar hier kwamen. Die kunnen dus zeggen dat ze op Le festival au Desert gespeeld hebben. Ze amuseerden zich rot. We hebben een cd gekocht. Tja, daar moet je dan voor naar Mali komen! Lang geleden, dat we niet konden afbieden! We zijn ook een Toeareg tegengekomen die op Sfinks was geweest! Sfinks wordt trouwens vermeld als supporter.
‘s Avonds kwamen de bekende ‘moderne’ groepen. Wel echt Toearegmuziek, maar met elektrische gitaren enzo. Er waren ook een paar internationale groepen, bijvoorbeeld van Mauretanië. Normaal gezien ging Zap Mama komen de laatste avond, maar ze zijn niet komen opdagen! Dat vonden we zo spijtig! Dat had echt graaf geweest, een Belgische groep op Le Festival au Desert! Maïka, die als vrijwilliger werkte, moest voor Zap Mama zorgen, als ze aankwamen. Tot het laatste moment hebben we hoop gehad, maar ze hebben hun kat gestuurd. Spijtig, het zou ook wel een leuke afwisseling geweest zijn tussen al die Toearegmuziek. Die muziek is wel tof, hoor. We zijn er echt van gaan houden, maar drie dagen is wel veel!
Enkele namen van het programma: Salif Keita, Tinariwen, Tartit, Imarhan, Desert Blue.
Salif Keita is een albino, die als kind erg gepest en buitengesloten werd. Hij keek op naar de griots, de zangers van de familiegeschiedenissen. Hij begon zijn gevoelens in de muziek te leggen en voici, hij is nu megaberoemd. Laat die pesters van toen, maar een poepie ruiken, Salif!
Een anekdote over Tinariwen en mezelf: de eerste dag zei een man in het publiek: ‘Als je wil, mag je een foto van mij trekken, hoor.’ Hij had gewone kleren aan en was geen knapperd, dus ik vroeg verontwaardigd: ‘Pourquoi?’ ‘Ok, dan niet,’ zei hij, ‘geen probleem.’ Iets later komt Maïka eraan en zegt: ‘Hé, dat zijn die gasten van Tinariwen!’ Tja.
Tartit is de enige vrouwengroep. Ze komen dan ook volop op voor de vrouwen. Veel Toearegvrouwen en kinderen hebben we daar trouwens niet gezien!
Desert Blue is samengesteld uit drie groepen, reeds enkele jaren, speciaal voor het festival. De artiesten komen uit drie verschillende etnische volkeren. Wat absoluut niet vanzelfsprekend is hier in Mali!
‘s Avonds werd het berekoud in de woestijn. De dekens en tulbanden verkochten goed! Gelukkig hadden wij al een bedoeïenendeken! Ze staken gezellig warme manden met kolen aan op de toeschouwersduin. De duin fungeerde wat zoals een amfitheater. Volgens Gert is die duin wel verplaatst binnen enkele jaren. Het podium is echter van beton. ‘Wat zullen ze dan doen?’ vraagt Gert zich af. Iedereen die een kameel had, keek vanop zijn kameel naar het podium. Gemakkelijk, hoog en droog! Een grappig zicht!
Wel mooi, hoor, die Toearegs in hun traditionele kledij op hun kamelen tussen de duinen. Bij de opening van het festival defileerden ze één voor één voorbij het podium: in galop met wapperende kleren en getrokken zwaard. Vrouwen die hen toejuichen met het typerende tonggeluid (‘kweet nie hoe ik dat moet beschrijven!).

Tijdens de dag zaten we veel bij ons kapementje. Het werd een gezellige ontmoetingsplaats, voor ontbijt, koken, thee, een glaasje wijn. Ik vond dat echt tof! Iedereen die we kenden kwam wel eens langs!

Le Festival au Desert, het was een hele ervaring, het was tof en gezellig, maar het was geen 130 euro waard. We hadden niet echt het woestijngevoel. De helft van het volk was blank. Een uitspraak van Bouba: ‘Ge vindt hier niemand terug! Iederéén is hier blank!’ Nochtans was er veel minder volk dan anders, want onder andere de Amerikaanse ambassade zou het afgeraden hebben, omdat het te gevaarlijk zou zijn in Noord-Mali en de Amerikanen luisteren nogal goed naar dat advies.
Eigenlijk was het een festival zoals bij ons, maar dan met kamelen en zand en slecht georganiseerd. Er waren bijvoorbeeld geen vuilbakken! Drie dagen veel mensen die kamperen, is veel afval! Voor 130 euro mogen ze wel een vuilbak kopen, vind ik. Enfin, blijkbaar was er geld tekort, want er was ook slaapplaats te weinig, zelfs voor de artiesten. Een grote Amerikaanse sponsor had afgehaakt. Zijn we misschien te kritisch? Hebben we al teveel gezien? Zijn we verwend?
Het domein heeft geen hek ofzo, maar wordt langs alle kanten bewaakt door militairen. Zij houden overal een oogje in het zeil. Zo zeggen ze vriendelijk tegen sommige onnozele toeristen in bikini, dat ze hun kleren moeten aandoen.
Een politieverhaal: Maïka haar gsm was gestolen. Ze informeert de politie. Die vindt hem terug bij kleine gasten. Ze krijgt hem terug, maar zonder batterij en zonder simkaart. De politie: ‘We kunnen ons onderzoek eventueel wel verder zetten, maar dat vraagt tijd en moeite enzo. Dat kost toch wel wat.’ Maïka wou absoluut haar simkaart terug voor telefoonnummers enzo en betaalt dus de politie. Onmiddellijk krijgt ze de kaart. De batterij niet, die zullen ze zelf kunnen gebruiken of verkopen, want originele vind je hier niet, enkel Chinese namaak.
Ondanks alle kritiek, hebben we ons wel heel goed geamuseerd, hoor. Wie geïnteresseerd is, kan een kijkje gaan nemen op www.festival-au-desert.org

Oorspronkelijk was het festival een jaarlijkse bijeenkomst van Toearegs om hun tradities samen te vieren. Sinds 2001 hebben ze hun deuren geopend. Ik vraag mij af hoe lang de Toearegs nog gaan blijven komen. Dit heeft nog weinig te maken met hun tradities mijns inziens.

De dag na het festival vertrekken we op het gemakske. We geven Bouba een lift tot Timboektoe. Dara heeft zelf vervoer geregeld en gaat naar de Dogon met Mariska en Karlien. Wij rijden verder richting bac. Eindelijk terug onder ons tweetjes. Ik geniet ervan. Aan de bac staan ongeveer 15 auto’s in de rij. Er kunnen er 10 op één bac. Wachten dus, maar we hebben tijd. Plots zien we Leen daar terug. Leuke verassing!
Gert en ik besluiten die nacht te slapen in het kampement 35km van de bac, aan de overkant. Als we eraan komen, vraagt die man een belachelijk hoge prijs en we mogen ook niet zelf koken, bovendien is hij niet echt vriendelijk. Hij weet maar al te goed, dat er verder niets is en het begon al te schemeren. Ik was teleurgesteld, voelde me net Jozef en Maria. Het zag er zo gezellig uit. Ik had er naar uit gekeken. Maar onze trots won, we reden verder en hebben gebushcamped. Geen ziel gezien, lekker rustig, zowel ‘s avonds als ‘s morgens.
De volgende dag zijn we tot Douentza gereden en kampeerden daar in een leuk kampement. We ontmoeten er een Nederlands jong koppel, die misschien nog naar de Dogon wilden. We geven Dara’s telefoonnummer!

Onze volgende uitstap is een tip van Jonnie en Sanna: een gloednieuwe piste door Pays Dogon, door de bergen dus, langs dorpjes, van Douentza naar Bandiagara en dan via Djibongo naar Bankas. Ze hadden gelijk, het was PRACHTIG. De Dogon is zo mooi! Ik vind het onvoorspelbaar. Je komt bijna geen auto’s tegen, tot plots een tegenligger, een overlandtruck, een Belgische nummerplaat! De man vraagt: ‘Flamand ou Wallon?’ ‘Flamand, et vous?’ ‘Wij ook!’ Een babbeltje gedaan en weer verder gereden.
We sliepen in Djibongo, een Dogondorp. Het kampement stelde echter niet zoveel voor. Er was niet veel water voorhanden, zoals overal in de Dogon. Omdat we een hoop was op het dak hadden liggen (Saharawasmachine), die moest gespoeld worden, reden we de volgende dag verder naar Bankas. Daar zijn we nu, een rustig stadje en een heel gezellig kampement!

Morgen steken we de grens over in Koro, weer naar Burkina. Normaal zullen we overnachten in Ouahigouya. Daar zullen we proberen de blog te updaten om vervolgens richting Nouna (west Burkina) te rijden. Daar werkt Jonas aan een project. Hem hebben we leren kennen net voor we vertrokken, op het feestje van Poco a poco. Dat zijn onze plannen, ‘t kan natuurlijk altijd veranderen!


  • Comments(8)//www.tamtamafrikan.be/#post34

Dogonland

MaliPosted by veerle Sun, December 28, 2008 12:26:40
We verlieten dus onze Toearegfamilie en vertrokken met Dara, onze gids richting Dogon. Eerst een rit van twee uur en een half, de helft asfalt, de helft piste. Dara was heel blij dat we een 4x4 hadden, want het is soms een dag wachten op een bush taxi naar Sanga. In Sanga laten we onze auto achter op de parking van een auberge van een vriend van Dara. In ruil drinken we er een cola en eten een omelette. We pakken onze zak zo licht mogelijk om drie dagen te stappen in de bergen. De Dogon is immers een volk dat op de flanken van de bergen woont en onbereikbaar is met de auto. Er is gewoonweg geen weg, geen piste, niets. Wat sport zal ons goed doen!
Amadou, een jongen van ongeveer 15 jaar, een neefje van Dara vergezeld ons. Hij heeft vakantie nu en kent veel beter de weg dan Dara zelf. Dara woont immers al lang in Bamako. We beginnen te stappen en de natuur is gewoonweg prachtig! Een beetje Tovenaar van Oz landschap.
Blog ImageLang geleden dat we nog eens echt in de stilte van de natuur gezeten hebben. We genieten met volle teugen. Na een uur of twee stappen, komen we aan de grotten van de Tellem. Het zijn kleine huizen gebouwd tegen de wand van de rots. Om ze te bereiken moet je kunnen klimmen of vliegen. De Tellem, ook wel Pygmeeën genoemd door de Dogon (omdat de huisjes zo klein zijn), zijn weggetrokken toen de Dogon zich daar vestigden. Ze zijn een mysterieuze legende, maar de huizen zijn er echt. Nu worden de huizen gebruikt als graftomben voor belangrijke Dogonmensen. De lijken worden dan met touwen omhoog gehesen. Anje, Hil, the little people woonden vroeger dus hier!
Blog ImageNa in totaal drie uur stappen, komen we aan in Koundou, het dorp van Dara’s familie. Dara is eigenlijk zijn achternaam, Motié is zijn voornaam. Iedereen in het dorp is Dara. Dara betekent ‘zij die hoog wonen’. De huisjes zijn van leem. Elke familie heeft een stuk of drie graanschuurtjes, waar allerlei in bewaard wordt, eigenlijk hun keukenkast. In de kast staat ‘miel’, het basisvoedsel hier, een graan, asse, daar maken ze door een chemische reactie met water een saus van en voor de rest waren ze eigenlijk leeg. Men kookt op open vuur in een heel grote ketel, want het zijn heel grote families. De bevolking is te jong, want de jonge mannen zoeken vaak hun geluk elders, dus teveel kinderen in verhouding met de volwassenen. De vrouwen verbouwen kleine stukjes land, maar er is te weinig water. Zelfs drinkwater is zeer schaars. De vrouwen dalen elke ochtend naar beneden af om water te halen en daarna dus terug naar boven met een paar kilo’s water op hun hoofd! Ze gaan ook om de vijf dagen naar de markt in Sanga. Dat is de weg die wij afgelegd hebben, drie uur, 12 km, ‘s morgens heen, ‘s avonds terug, met waren op hun hoofd! Je leest het goed, ik heb het hier telkens over de vrouwen. De mannen zitten hier op hun lui gat. Oh ja, één keer in het jaar halen ze de graanoogst binnen. De vrouwen stampen deze fijn in hun stamper. Natuurlijk zorgen de vrouwen ook voor de kinderen en het eten. Deze vrouwen zijn ijzersterk! De hulporganisaties werken dan ook altijd met de vrouwen samen.
In dit dorp komen wij dus aan. We gaan naar het kampement van de oudere broer van Dara. Het is daar supergezellig!!! En ook heel proper! Klein, in traditionele stijl, gezellig. Het leuke van zo’n lemen huisjes en vloeren is dat je heerlijk op je blote voeten kan rondlopen. Het toilet is een proper gat en als je in de douche staat (lees emmer met halve kalabas om te scheppen) komt je hoofd boven het muurtje uit en naast je is het dorp en de bergen.
Ik voel me hier op mijn gemak. Ook niemand die je hier lastig valt in Dogonland.
Maar first things first: kom je in zo’n dorp aan, dan moet je langs de dorpschef om hem een paar kolanoten (wordt op gekauwd, soort lichte drugs, smaakt bitter) te overhandigen. Kolanoten aan een oudere geven, is een teken van respect. De dorpschef is steeds de oudste man van het dorp, dus telkens van een ander gezin. Diens zoon regelt veel zaken (omdat de ouwe te oud is vermoed ik ☺), maar de chef is toch de belangrijkste.
Daarna brengen we een kort bezoekje aan de familie van Dara. We tellen wel 15 kleine kinderen, een stuk of vier vrouwen en geen mannen.
‘s Avonds horen we de dorpstamtam. ‘Dan moet er een feest zijn,’ zegt Dara. Hij vraagt even na. Het blijkt een feest te zijn, speciaal georganiseerd voor een groep toeristen. We gaan toch maar even een kijkje nemen. Tamtamgeroffel, gedans van de lokale bevolking en een paar blanken op een stoel, die allen duidelijk moe waren van het wandelen. We blijven een half uurtje, maar besluiten dan toch ons bedje in te kruipen. Ons bed is een matras op het dak onder de sterrenhemel, de geluiden van het dorp op de achtergrond, zalig!
De volgende dag gaan we verder op stap door de bergen, langs andere Dogondorpen. De natuur is grandioos. De dorpen zijn heel pittoresk. Als je ze in de verte ziet tegen de flank, is het net een kabouterdorp. In het dorp zelf is het echter allemaal heel schrijnend. Kinderen met dikke buiken, vodden rond hun lijf, uitgedroogde lippen en huid, kale plekken op hun hoofdje, snottebellen overal, kortom heel grote armoede. Het was weer een tijdje geleden dat ik nog zo’n armoede gezien heb. Het pakt u elke keer weer. Vooral dat hier echt een groot tekort aan water is. Maar de mensen zijn heel vriendelijk. Hun begroeting als ze iemand tegenkomen is onwaarschijnlijk! ‘Sew? Sew! Sew? Sew! Sew? Sew! Sew? Sew!’ met af en toe een ander woord ertussen. Vijf minuten lang zeggen ze dus: ‘Hoe ist? Goe en met u?’, ook tegen de mensen die ze elke dag zien. Met alle respect, maar het is een beetje een lachwekkend tafereel en het neemt veel tijd in beslag.
Eens beneden aan de andere kant van de berg eten wij een lekker middagmaal in een ander kampement. De wereld is wreed. In dit dorp is de school. Als de kinderen van het dorp boven op de berg naar school willen gaan, moeten ze dus 7 km over de rotsen naar beneden stappen. Er gebeuren soms ongelukken met de jongsten van 7 jaar. Daarom hoopt Dara dat er een schooltje boven kan komen met een eerste en tweede klas. Aiaiai, mijn vingers beginnen te kriebelen, een kolfje naar mijn hand, maar nee nee nee, ik moet terug naar Zeppelin, want ze gaan er daar niet meer mee kunnen lachen ☺ Om nu naar school te gaan, moet de motivatie van de kinderen dus heel hoog liggen. Tot voor kort kregen ze een gezond middagmaal van een bepaalde hulporganisatie, maar dit project werd stil gezet. Dara wil meer iets opbouwen rond voeding met de ouders zelf. Iets dat kan blijven duren. Zoals je wel merkt, heeft Dara veel ideeën. Hij is dan ook één van de weinigen die naar school is blijven gaan en niet meer in armoede hoeft te leven. Veel vrouwen willen echter hun kinderen graag naast zich op het veld om te helpen. Meisjes naar school sturen, is een nog groter probleem dan jongens.
Na een deugdoende siësta klauteren we weer de berg op om naar ons geliefde kampement in Koundou terug te keren.
De volgende dag stappen we langs een andere weg weer naar Sanga, waar de auto staat. We passeren nog veel tot de verbeelding sprekende Tellemwoningen. Het is warm, maar we komen door een aantal dorpen, dus onze drinkenbussen met water boven halen, is lastig… Terug in de auberge bestellen we een cola…
Blog ImageEen historische noot voor de liefhebbers:
Eerst waren er de Tellem. Een mysterieus volk dat hoog aan de flank zijn huisjes bouwde, met leem tegen de rotswand. Niemand weet hoe ze er geraakten. Sommigen beweren met een touw, want er hangt aan bijna elk huis een tak. Daar zou dan het touw aan gehangen hebben. Anderen denken dat ze konden vliegen, zoals de vogels, en weer anderen denken dat ze zuignappen hadden. Het zou een heel mystiek volk geweest zijn, met bijzondere magische kennis. Ze zijn weggetrokken toen de Dogon er kwamen wonen, maar niemand weet waarheen. Er gaan geruchten de ronde dat ze nu in Gabon leven. De Dogon hebben dezelfde manier van bouwen overgenomen, met leem, maar dan niet in een grot.
Waarom nestelt een volk zich op zo’n onbereikbare plaats? Waarom maken ze het zichzelf moeilijk door ver van water te wonen? De Dogon zijn een heel eigen en vredelievend volk. Zij wilden niet deelnemen aan de stammenoorlogen. Zij wilden met rust gelaten worden en daarom kropen ze in de bergen. Hun dorpen zijn goed verscholen. Zelfs nu is de administratieve leiding in de stad Bandiagara Peul en niet Dogon. De Peul vielen aan. De Dogon zeiden: ‘Wij wilen geen oorlog. Word maar burgemeester. Laat ons verder met rust.’ Tot vandaag leven ze zo vredevol naast elkaar.
Met het kleine beetje land dat ze kunnen bebouwen, de mini akkertjes hadden de Dogon vroeger voldoende voedsel om iedereen te voeden. Nu is er echter het probleem van overbevolking. Er zijn teveel mensen voor het beschikbare voedsel en water.
Huidige problemen: te weinig water, geen gevarieerd voedsel, bereikbaarheid van scholen, emigratie naar de stad (waar het voor hen niet altijd beter is!), te jonge bevolking (teveel kleine kinderen), een cultuur waar de vrouwen al het werk doen. Door het harde leven en een tekort aan gevarieerd voedsel hebben de vrouwen vaak te weinig borstvoedingsmelk of vooral met te weinig nodige voedingsstoffen voor hun baby’s, met alle gevolgen vandien.
Officieel is de grote meerdeheid van de bevolking christen, een kleiner percentage moslim en een nog kleinere groep is animist. In de praktijk is iedereen naast christen of moslim nog animist in hart en nieren. Het animisme is een belangrijk deel van de Dogoncultuur. De Hogon, de religieuze leider, is de allerbelangrijkste persoon voor eender welke beslissing aangaande het Dogonvolk. Er is één Hogon voor een aantal dorpen samen. In totaal zijn er vier Hogons. De religieuze feesten viert men met tamtammuziek en dansen met maskers.
Het belangrijkste feest is om de 60 jaar. Dit heeft te maken met de stand van de ster Sirius. De Dogon zijn grote astreologen. Zij beweerden al altijd dat Sirius drie sterren omvat, twee zichtbaar en één onzichtbaar voor ons. De westerse wetenschappers hebben die derde ster pas bevestigd in 1995! Sirius was ook een belangrijke ster bij de oude Egyptenaren. Het zijn mystieke, magische mensen, de Dogon.
Het scheppingsverhaal van de mens is ook voor de Dogon met een adam en Eva. Zij hadden acht kinderen en daar stammen alle Dogon vanaf.
Ze tellen met een vijf dagen week: de eerste dag, de tweede dag enzovoort. Elke dag is er in een ander dorp markt. Natuurlijk is er ondertussen al wel de invloed van buitenaf en zijn onze namen voor de dagen wel bekend.
In één dorp wonen er ongeveer duizend mensen.


Het project van Dara:
Op een dag kwam Dara, onze gids, in zijn dorp aan en iemand van zijn familie zei: ‘Motié, jij bent naar school geweest. Wat ga jij nu met jouw kennis doen voor ons dorp?’ Dit bleef door Dara’s hoofd malen. Er begonnen ideeën te ontstaan. Hij werkt graag met toeristen. Zijn vader had een kampement. Toeristen hebben geld. Hij begon te denken in de richting van toerisme dat bijdraagt tot de ontwikkeling van de lokale bevolking. Hij stapte naar de nodige officiële instantie in Mali. Daar zeiden ze dat het een heel goed idee was, maar dat ze het alleen zouden goedkeuren als het een project voor heel Mali zou zijn, op nationaal vlak dus, en niet alleen voor de Dogon. Lijkt mij enigzins hoog gegrepen voor één man, maar Dara liet zich niet afschrikken en richtte een vereniging op, Ass. A.P.T.M., l’ Association pour la Promotion du Tourisme au Mali. Hij is niet bij de pakken blijven zitten en heeft ondertussen al enkele medewerkers en partners. Hij is bezig met twee projecten, de Dogon en Diema (tussen Kayes en Bamako). Een lening bij de bank is rond om een kampement in Diema op te starten.
Zijn plannen voor de Koundou: Een watertoren met pomp, zodat de vrouwen niet meer dagelijks naar beneden moeten om water te halen. Eens de watertoren er is, een systeem uitbouwen waarbij de mensen een kleinigheid betalen voor het water. Dit geld zou gebruikt worden voor onderhoudskosten en dit ook om te vermijden dat het water te overvloedig getapt zou worden. Het dorp zou dit alles zelf leren beheren. Een school oprichten voor klas 1 en 2, zodat die kleintjes geen 7 km over de rotsen moeten afleggen. Een uitwisselingsproject waarbij westerse jongeren enkele weken in het dorp komen meeleven en werken. De eerste keer zal dit plaatsvinden in februari 2009 in samenwerking met Frankrijk. Voor de vereniging zelf zou hij graag een website willen maken, maar dat kost voorlopig teveel geld (300 tot 500 euro).
Onmiddellijk beginnen er dan scheuten uit mijn hoofd te groeien vol ideeën: Diogenes e.a. contacteren om een bouwkamp te organiseren om een schooltje te bouwen, natuurlijk onder leiding van metselaars ter plaatse. Leraars zonder Grenzen contacteren om te helpen met de school. Vrijwilligers leerkrachten zoeken die de lokale leerkrachten willen helpen. Dara zegt dat dit steeds een grote motivatie is voor kinderen om naar school te komen, want dan is het leuker op school. Misschien is Oikotte geïnteresseerd in een uitwisselingsproject (en bijvoorbeeld mee de school bouwen)? Het is wel een heel grote cultuurschok, misschien te groot voor sommige gasten. Financiële hulp zoeken bij steden die een apart budget hebben voor ontwikkelingshulp (Schilde? Lier?). Zusterdorpen zoeken. Oxfam die ook jaarlijks een som weggeven…

Ik ga hier in elk geval werk van maken als ik terug in België ben! Wie nu al iets wil doen, hier zijn de contactgegevens van Dara:
Blog ImageMotié Dara
Président de l’ Association pour la Promotion au Mali (A.P.T.M.)
Tel: (00223) 79 13 94 34
e-mail: aptm2003@yahoo.fr
BP (postbus): E12 Bamako (Mali)

De Dogon hebben ons hart alvast gestolen!


We rijden terug naar Sevaré en halen onze trouwringen op bij de Toearegfamilie. Adou moest de maat nog wat aanpassen. We krijgen er eten, drinken thee en nemen afscheid. Ze nodigen ons uit om daar te blijven slapen, maar wij preferen van niet, bedanken en zeggen dat we onze reis gaan verder zetten.
Dara helpt ons een auberge te vinden in Sevaré. Het wordt een hele zoektocht. Het Via Via Café wordt overstelpd door verkopers en gidsen, niet dus. Een andere is veel te duur. Dara brengt ons naar de nonnen van Jean Bosco. ‘Die hebben een heel grote tuin! Daar zal je wel mogen kamperen!’ zegt Dara. De nonnen waren heel nors, verschrikkelijk onvriendelijk: ‘Nee, kamperen gaat niet! ‘t Zijn hier kamers!’ Er kon geen glimlachje af en dat vlak voor Kerstmis! Uiteindelijk belanden we bij Auberge Canarie, waar we op een perceel aan de overkant mogen staan. ‘s Nachts is er een gardien en overdag gratis wifi! ‘t Was er wel ok, maar toch niet de meest fantastische plek om Kerstmis te vieren. Na onze blog geupdate te hebben en de was te hebben laten doen, besluiten we naar Burkina Faso te rijden, meer bepaald naar Bobo Dioulasso. Daar zou het goed zijn, volgens verschillende bronnen.

  • Comments(4)//www.tamtamafrikan.be/#post31

Djenne en een Toeareg familie

MaliPosted by veerle Tue, December 23, 2008 22:03:08
Reizen is mensen ontmoeten en dan weer achterlaten. We namen afscheid van Maïka en Bouba. Bedankt voor alles. We hebben een heel leuke tijd gehad bij jullie!

Ons volgende doel is Djenne, met als tussenstop Segou. We rijden Segou binnen, zetten ons even aan de kant, de motor staat nog niet af of we worden al overstelpt door gidsen. Eén van hen volgen we, want hij beweert dat we in de auberge van zijn broer kunnen kamperen. Daar aangekomen blijkt dat de poort een paar centimeter te laag is voor onze auto. De auberge ziet er echter wel gezellig uit. We besluiten toch te proberen om binnen te rijden. Hoe? Matras, deken en kussens halen we uit de tent en achterste banden worden afgelaten tot een minimum. Drie gasten hangen aan het roofrack en zo rijdt Gert de auto zachtjes binnen. Als we de volgende dag buiten rijden, vijst Gert er toch nog het laddertje af. Een heel gedoe, wat scharen op de tent en veel, heel veel bekijks op straat, kinderen die geld vragen. Dit zal de eerste en ook laatste keer zijn!

Djenne kennen we door het boek ‘Het zandkasteel’ van de Nederlander Ton Vanderlee (bedankt Frauke!). Ton had een droom, een zandkasteel te bouwen, ergens op de wereld en strandde in Djenne. In Djenne en omstreken bouwen de mensen huizen van leem. Salvador Dali maakte ooit een schets voor Ton, een schets van een sprookjesachtig zandkasteel en zei dat ze zo’n huizen ergens in Afrika bouwen. Ton ging op zoek en vond Djenne. Allemaal heel pittoresk. Hij zag dat het goed was. Hier wil hij oud worden. Het boek eindigt na twee jaar, als het huis van Ton bijna af is, maar zijn grote liefde met de noorderzon verdwenen is, of beter gezegd met haar stam verder getrokken is. Wij zijn dus erg benieuwd of Ton er nog zou wonen en zijn vast van plan dat uit te pluizen!

We komen aan bij de bac, de overzetboot. Djenne is immers een eilandje op de rivier, de Bani. Onmiddellijk stuiven er weer een aantal gidsen op ons af. We zeggen dat we Ton zoeken, een Nederlander, die hier een huis gebouwd heeft. ‘Ah, Tony, die is hier!’ Ton zat toevallig naar de passage van de bac te kijken onder zijn geliefkoosde boom. We worden hartelijk ontvangen, maken een praatje en de gidsen laten ons met rust. Ton vertelt dat hij de laatste jaren geplaagd wordt door malaria. Tegen zijn zin verblijft hij weer veel in Nederland. Regelmatig komt hij terug voor twee maanden. Als hij langer dan twee maanden blijft, steekt de malaria weer de kop op. We zullen ons maar goed insmeren tegen de muggen! Momenteel verhuurt hij zijn huis en verblijft zelf ergens anders in de stad. Hij schrijft een briefje, gericht aan de vrouw die nu in zijn huis woont, met de vraag of ze ons wil rondleiden in het zandkasteel.

Ton zegt dat we overal langs de rivier kunnen kamperen. Een vriend van hem, visser, van het Bozo volk, biedt ons een plekje aan onder een boom naast zijn huis, aan de rivier. Heel mooi, maar al gauw zitten alle kinderen van het dorp op twee meter afstand te kijken naar wat wij blanken allemaal doen. We voelen ons in de zoo, maar dan aan de andere kant van het hek. Soms durft er ene wat dichterbij komen en dan volgt de rest snel, tot je amper nog kunt bewegen en zegt dat ze wat verder moeten gaan zitten. We delen water uit, maar als we gaan eten, sturen we ze toch naar huis, want zoveel kinderen eten geven is moeilijk. ‘s Avonds komt de man des huizes nog een glaasje thee meedrinken.
Van het ogenblik dat we ‘s morgens een teen uit de tent steken, staan ze er weer allemaal, die kids. Nu moet je weten dat ‘s morgens voor ik mijn tanden gepoetst heb, ze mij niet teveel moeten lastig vallen! Ach, ze laten u gelukkig wel gerust als je slaapt. Dat is al iets!
We ontbijten en rijden verder naar het centrum.

Het boek van Ton speelt zich grotendeels af ‘Chez Baba’, de auberge waar hij maanden verbleef. Hij beschrijft de grote koer, de keuken, het uitzicht vanop het terras en vooral al de mensen die er hun dagen slijten. Zo heb je Baba zelf, de eigenaar waar Ton na een tijd gratis eten van krijgt, Jeune Touré, een oude man, die hopeloos op toeristen wacht om te gidsen, maar niemand wil hem, want niemand verstaat hem, Ousmane, de kok, die op zoek is naar een vrouw en Chirac, nog een gids.
Van de reisgidsen en ook van andere reizigers weten we dat we kunnen kamperen op de koer, maar dat er veel gidsen en verkopers ons zullen lastig vallen.
We rijden binnen en stellen ons voor als lezers van het boek van Ton. We maken kennis met Baba, Jeune Touré, Chirac en Ousmane. Jeune Touré is net zoals ik me hem had voorgesteld. Baba is niet echt geïnteresseerd in ons. Chirac zegt telkens vriendelijk goeiedag en dat is het. Ousmane wordt ons maatje. Hij heeft humor, is een grappig figuur, vindt het hilarisch als we vragen of hij nu al een vrouw gevonden heeft, heeft twinkelende deugnietoogjes, bakt speciaal voor ons Belgische frietjes.
We placeren ons een paar dagen op de koer en overschouwen. We wanen ons in een film. Al die personages, de plaatsen uit het boek, het lijkt zo surreëel.
Blog Image Jeune Touré en Veerle
We leren er ook de theedrinkers kennen. Een groep mannen die de hele dag onder de boom naast onze auto zitten thee te drinken. De theezetter is Isa Top. Heel de dag door brengt Isa ook een glaasje thee naar ons, of we nu bij hen zitten of niet. Waaraan we dat verdiend hebben, weten we niet. Wordt Isa hiervoor betaald door Baba? Om de hele dag thee te zetten? Maar de andere toeristen krijgen geen thee. We vouwen onze kaart van West-Afrika open voor de theedrinkers en bespreken mogelijke routes om Algerije te doorkruisen. De kaart is altijd een voltreffer. Opent gesprekken.
Er loopt ook een doofstomme man rond op de koer Chez Baba, heel vriendelijk. Hij komt regelmatig even bij ons zitten. We proberen zo goed mogelijk te converseren met allerlei gebaren. Dat leer je snel! Als kind kon hij praten, maar ineens was het gedaan. Nu probeert hij iets bij te verdienen door de was te doen voor toeristen. Wij geven hem met veel plezier onze was.
Er lopen ook minder leuke mensen rond Chez Baba. Zo heb je ‘de groene’, zijn naam kennen we niet en hij droeg de eerste dag groene kleren, vandaar. ‘De groene’ is een wanna be gids van het ergste soort. Hij blijft aandringen en komt telkens met iets anders op de proppen, elke dag opnieuw, telkens hij onze kop ziet. De andere gidsen komen de eerste dag op u af, de tweede al wat minder en vanaf de derde dag laten ze u met rust. Maar ‘de groene’ houdt hardnekkig vol en dan nog op zo’n gluiperige manier, slijmen over de fantastische Belgen en merci hier en merci daar en blablabla. Jakkes!
Er kwam ook eens een jong gastje bij ons en de theedrinkers zitten en begon op een provocerende manier over moslims en christenen. Hij zei dat dat allemaal hetzelfde was. Amaai, onstond er daar een hevige discussie over Jezus die al dan niet de zoon van God is enzo. Wij muisden er stilletjes tussenuit, om de lieve vrede te bewaren.
Blog ImageEn dan heb je Boubacar, de wever. De meest fantastische man die we ontmoetten Chez Baba! Hij zit daar rustig op de koer met zijn weefgetouw te weven. Hij heeft een kraampje, maar spreekt niemand aan. Hij weeft gewoon. We leren hem kennen, babbelen regelmatig met hem. Hij spreekt niet over verkopen of ‘pour le plaisir des yeux’ ofzo. Nee, hij geeft uitleg over zijn weefkunsten, vertelt over zijn familie. Hij vraagt welke nationaliteit we hebben. ‘Nous sommes des Belges.’ Hij kijkt op, een brede lach verschijnt, zijn ogen schitteren. Hij haalt een foldertje tevoorschijn van het Zuiderpershuis in Antwerpen, waar hij in staat met foto en al. Het was een project waarbij een hele groep kunstenaars, muzikanten e.d. van Mali voor enkele weken naar België kwamen. Hij heeft er lesgegeven in het weven aan een volgens hem heel gemotiveerde groep mensen. Hij vertelt dat hij er zo’n fantastische tijd beleefd heeft, dat de mensen zo vriendelijk waren voor hem, dat hij niets heeft moeten betalen, dat hij voortdurend uitgenodigd werd om bij mensen thuis te gaan eten. ‘Sindsdien,’ zegt hij, ‘heb ik mezelf voorgenomen, dat als ik in Mali Belgen leer kennen, ik ze ga uitnodigen bij mij thuis om te komen eten.’ En zo belanden wij de volgende dag voor het middagmaal bij hem thuis, in zo’n lemen huisje. Uiteraard was het eten met de rechterhand, allen uit één grote schotel. Nu weten de meesten onder jullie, dat ik al heel veel in mijn leven, in veel verschillende landen, met mijn handen gegeten heb. Jullie weten ook dat dat voor mij geen enkel probleem is. Deze keer echter moest ik moeite doen om niet te kokhalzen. Hoe lief deze mensen ook zijn, ze aten echt vies. Ze kneden een megagrote bol rijst en saus. Ze openen hun mond wagenwijd, proppen de bol erin, lekken hun hand af en smakken erop los. En dan de kers op de taart! Toen ik gedaan had met eten, duwen ze zo’n bol in mijn hand, zo’n bol gekneed met hun afgelekt hand. Ik zeg: ‘Nee, danku, ik heb genoeg.’ ‘Jamaar, dat is hier de gewoonte. Als je stopt met eten, geeft iemand je nog een bol.’ Ik heb geprobeerd mijn gezicht niet te vertrekken en heb met afschuw de bol naar binnen gewerkt… En Gert? Die zag dat gebeuren en heeft snel zijn handen gewassen na het eten. Zo hadden ze geen kans om hem ook een bol te presenteren. Gelukzak!
Al bij al was de wever een heel lieve man. We hebben dan ook een deken van hem gekocht. Dat noem ik toerisme! Iedereen tevreden!
Blog ImageWe bezoeken natuurlijk ook de toeristishe trekpleisters van Djenne (maar dan zonder gids!): de wereldberoemde lemen moskee, een graftombe uit de 9de eeuw van een geofferd meisje en het huis van de traditionele chief. Het stadje op zich is echt heel bijzonder. Het is een klein stadje, je bent zo rond en alles is uit leem, huizen en straten. Het stort is overal naast de rivier en het zijn open riolen in de straten. Kippen en geiten lopen binnen en buiten. Voor mij zijn dit de middeleeuwen.
Elke maandag is het markt. Deze markt is de grootste in de omstreken. De belangrijkste voor de lokale mensen. Iedereen komt van heinde en ver naar deze markt om zaken te doen en om op hun beurt inkopen te doen. ‘t Is eigenlijk de lokale supermarkt. Bekijk zeker de foto’s, die zeggen meer.
Blog ImageSpijtig genoeg heeft het toerisme hier in Djenne niet veel goeds gedaan. Veel mensen, groot en klein zijn agressief tegenover toeristen. Een kind bokste in mijn buik en daarna lachten ze ons uit. Verkopers achtervolgen ons: ‘Madame, collier? Madame dit? Madame dat? Bon prix, madame!’ ‘Non merci, non merci, non merci!’ ‘Madame, bébé? 1 euro!’ en een jong meisje steekt een baby onder mijn neus. Huhhhh???!!!

Na een paar dagen verlaten we Djenne. ‘t Is goed geweest. ‘t Is een rare plaats. Ik weet niet goed wat ervan te denken. We zeggen gedag aan iedereen Chez Baba. Isa Top tegen Gert: ‘Ah mon ami, heb je geen 1000 CFA voor uw goede vriend?’ Ons theesprookje stort in elkaar. We geven niets. Eén van de theedrinkers zegt: ‘De thee in Mali is gratis!’
De laatste nacht kamperen we nog eens langs de rivier, maar deze keer niet meer vlak naast het dorp! ‘t Is een rustig plekje. De vissers op hun prauwen passeren en gooien hun netten uit, ook ‘s nachts.
Blog ImageVoor we doorrijden, bezoeken we het huis van Ton. Het is een camping geworden. Gert is heel teleurgesteld. De droom is niet meer.
Blog ImageEen historische noot voor de liefhebbers:
*Djenne is een zeer oude stad. In de 14de en 15de eeuw was ze een belangrijke handelsplaats voor de trans Sahara zoutkaravanen. De markt op maandag bestaat al van in die tijd!
*Djenne was en is nog steeds bekend om zijn koranscholen. We kwamen een groep moslimmannen tegen in het dorp aan de rivier. Ze stelden zich aan ons voor als verkondigers van het geloof. Ze gingen de dorpen af om de mensen te informeren (te bekeren dus). Veel mensen hier zijn immers oorspronkelijk animisten. De dag van vandaag doen de meesten een beetje aan alletwee. Er gaan ook nog steeds jongens in de leer bij marabouts. Een harde leer! Elke dag moeten ze hout gaan halen 5 km verderop. Hun gezichten zagen er opgeblazen uit (een soort drugs?) en ze hadden lompen om hun lijf.
*De belangrijke mensen, zoals de traditionele chief, wonen in grote huizen met verdiepingen. Heel uitzonderlijk voor Afrika in vroeger tijden! Vroeger woonden de meesters op het tweede verdiep, de slaven op het eerste en beneden was opslagplaats of winkel. De ramen en deuren zijn uit hout en versierd met metaal. Heel mooi! Er is maar één familie metselaars in Djenne. Zij worden als heel belangrijk aanzien. Alleen zij kennen de geheimen van het vak (een beetje zoals de vrijmetselaars?). De kennis wordt doorgegeven van generatie op generatie. Bij het bouwen van zo’n huis, komt er ook steeds een marabout aan te pas, om het huis te beschermen tegen het kwaad. De ramen en deuren worden ook door één bepaalde familie gemaakt. Architecturale plannen bestaan hier niet. Het huis groeit vanzelf. Je weet niet op voorhand wat het gaat worden. Elk jaar, na het regenseizoen, moeten de huizen terug bepleisterd worden met leem.
*De moskee dateert van 1280, wanneer de toenmalige koning zich bekeerde tot de islam. In de 19de eeuw werd ze verwoest, maar in 1907 heropgebouwd net hetzelfde als ervoor.
*De graftombe van Tanapa Dienepo is van de 9de eeuw. Zij zou zich vrijwillig aangeboden hebben als offer. De stad had een menselijk offer nodig, omdat één of andere religieuze leider beweerde dat de stad corrupt was.
*Djenne is beschermd UNESCO patrimonium.


We rijden verder noordelijk naar Mopti, maar bellen eerst Bouba op. Hij zet ons gids voor Dogonland, Dara, op de bus en belt zijn familie in Mopti (eigenlijk in Sevaré, vlakbij Mopti) om te zeggen dat we eraan komen. Ik ben benieuwd. Zal het klikken met de Toeareg familie? Hoe leven ze? We hebben er geen idee van.

Aangekomen bij de familie worden we met open armen ontvangen en behandeld als belangrijke gasten. Vrienden van Bouba, zijn vrienden van ons! De familie bestaat uit de vrouw des huizes, Zenabou (nicht van Bouba), haar man, Adou, hun zes kinderen, twee jongere broers van Zenabou en haar zus, Maryam. Dan woont er ook nog Khadja, die voor hen in het huishouden werkt, met haar zoontje. Al deze mensen samen wonen in vier kamertjes. Khadja en haar zoontje hebben een kamer, de twee jongere broers delen een kamer, Zenabou en Adou hebben een kamer en alle kinderen slapen in één kamer. Zenabou en Adou hebben een bed, de rest slaapt op matrasjes. De kamer van de kinderen is overdag salon.
De twee jongere broers vliegen uit hun kamer, de matras en kussens van Zenabou en Adou worden er neergelegd. Wij krijgen deze kamer. We voelen ons al een beetje ongemakkelijk. Ze kopen speciaal vlees, omdat wij er zijn en zijn zeer bezorgd of we het wel lekker vinden. We eten dus een aantal maaltijden mee rijst met vlees. Groenten zijn te duur. Eén keer kopen ze couscous en drie wortelen, duur, speciaal voor ons. Ze vragen een aantal keer wat wij ‘s morgens willen eten. We antwoorden telkens dat we hetzelfde als zij willen eten. ‘s Ochtends staat er een gloednieuwe pot konfituur, een ongeopend potje nescafé en brood. We zijn er zeker van dat ze naar Bouba gebeld hebben, want dat aten we daar altijd! Konfituur en koffie zijn hier verschrikkelijk duur! Deze mensen zijn arm! Er is een soort Frans toilet (zonder chas, een gat dus) buiten, met kakkerlakken. Daarnaast is een toilet waar je je met een emmer water kan wassen. Tanden poetsen boven een toilet, het is een beetje raar.

We weten van Bouba dat Zenabou leer bewerkt en dat Adou edelsmid is (zoals die Toearegs op Sfinks). We informeren ernaar, omdat we wel iets van hen willen kopen. Zo kunnen we iets terug doen. Ze laten ons heel mooie leren doosjes zien en enkele juweeltjes. We kopen een doosje en elk een armband met bijhorende ring. Ze horen samen, één voor de man, één voor de vrouw, een soort verbintenis. Dus mensen, wij hebben nu een trouwring! Jaja! Eigenlijk wel handig hier in moslimland! En nog mooi ook!
We betalen en plots duikt Zenabou in haar kleerkast. ‘Een cadeau voor jou,’ zegt ze en ze geeft me een prachtige Toeareg outfit. Zo’n kleren die ze kopen voor Tabaski, dure feestkleren, een boubou voor vrouwen. Ik weet niet wat te zeggen en sta er wat bedeesd bij. Zenabou belt Bouba op. Ik krijg hem aan de lijn. Bouba: ‘Ze vraagt of je liever een Toearegsleutelhanger hebt, dan deze kleren.’ Zenabou en Adou praten immers geen Frans. ‘Nee, Bouba, deze kleren zijn heel goed, maar het is een te groot cadeau. Ik kan dat niet aannemen.’ Voor Bouba leek het echter de normaalste zaak van de wereld. Ik heb nu dus prachtige Toeareg kleren.
Het is raar om Adou ‘s morgens te zien vertrekken met zijn mobilette naar Mopti of Bandiagara om hun spulletjes te verkopen. Hij is dus één van die ‘lastige’ verkopers. Weeral iets om over na te denken. Vanaf nu zullen we anders kijken naar die verkopers.
Om de familie te bedanken voor alles zijn we een hoop fruit gaan kopen en hebben fruitsla à la Maïka gemaakt. Goede tip, Maïka! Veel vitamientjes voor de kindjes! Eerst reden we met twee mobiletjes, samen met Zenabou en Maryam naar de markt. Een grappige bedoening: wij met zijn twee (Gert aan het stuur) achter de mobilet met twee Toearegvrouwen met wapperende kleren. De mensen vonden de fruitsla heerlijk! Eén van de zonen zei: ‘Dit ken ik niet. De eerste keer dat ik dit eet. Lekker!’ En Adou bleef maar met een lach herhalen: ‘Dit is het lekkerste dat ik ooit gegeten heb! Dank u, dank u!’
‘s Avonds haalt Gert zijn gitaar boven en toont de kunsten die hij geleerd heeft van Moussa. Weer een voltreffer! Adou en een oude man, die ook altijd op het terras rondzwerft, zijn door het dolle heen en beginnen te dansen. Hilarisch!
Die nacht wordt ik wakker van allerlei stemmen en een wenende, krijsende baby. Ik ga kijken. Het zoontje van Khadja is ziek, koorts en al dagenlang constipatie. Van al die rijst? Van onze fruitsla? Ze spuiten een zelfgemaakt goedje in zijn poep, met een plastieken kruikje dat al die tijd op de koer lag. Morgenvroeg zullen ze naar de dokter gaan. Adou mompelt iets van ‘argent’. Zenabou legt hem het zwijgen op. Ik ga terug slapen.
De volgende ochtend vragen ze of ik eens naar de baby kan kijken. Gert en ik hadden al overlegd wat we kunnen doen. Ik zeg dat het geen zin heeft dat ik naar de baby kijk, dat ik geen dokter ben, dat ik niets van baby’s afweet en dat wij geen medicamenten voor kinderen bij hebben. Wat we wel willen doen, is met de jongen naar het ziekenhuis rijden of geld geven, indien nodig, voor de medicatie. Dat laatste scheen hen te interesseren, vervoer konden ze zelf wel regelen. Ik vraag hoeveel. Ze zeggen een nogal groot bedrag. Het wordt een rare situatie vind ik. Veel vragen dwarrelen door mijn hoofd. Worden we bedot? Nee, ik heb vanacht zelf gezien hoe ziek de jongen was. Kosten die medicijnen echt zoveel? Zo niet, ze kunnen het geld wel gebruiken. We hebben een gelijkaardig bedrag betaald voor de souvenirs. Adou zegt dat hij daarmee rijst gekocht heeft. Ik heb die zak niet gezien. Waarom kreeg ik die boubou? Ik, de rijke blanke, wordt wantrouwig, tegenover mensen die niets hebben. Ik voel me schuldig. Het gaat hier over 35 euro. We geven het uiteraard. Die kleine is ziek!
Die ochtend komt onze gids, Dara, ons halen. Eén van de twee jongere broers, die we al eens een deken rond geslagen hebben, omdat hij ‘s avonds altijd zat te bibberen in zijn T-shirtje, herhaalt een paar keer dat hij mijn trui wel heel erg tof vindt! Ja, ik ook! Het is tijd dat we vertrekken.
Blog ImageHier begint dan ons Dogonavontuur. Een fantastisch avontuur! Een ongelooflijke ervaring, één om niet te vergeten. Supertof!
Maar hierover volgende keer meer!


  • Comments(3)//www.tamtamafrikan.be/#post29

Kora

MaliPosted by gert Thu, December 11, 2008 17:55:53
Een beetje reclame.

Vrienden muzikanten kennen misschien wel de kora. Een typisch Malinees instrument gemaakt van een kalabas, koeienvel, enkele stokken en visdraad.
Als ik het zo opsom klinkt het een beetje banaal, maar het is een mooi instrument.
We zijn net een bezoekje gaan brengen aan een bouwer van dit instrument. Hij bouwde reeds kora’s voor alle grote spelers zoals o.a. Toumani Diabaté, zijn neef, Kadialy Kouyate, Balake Kouyate, Mame Ndiaye,...
Amadou is een zeer vriendelijke man die thuis op de koer tussen de vrouwen en kinderen kora’s bouwt. Een atelier en boetiek wil hij niet. Dan gaan de toeristen twijfelen aan de kwaliteit. Daar heeft hij zeker een punt! Alles wat in de artisanale boetiekjes verkocht wordt, is meestal gemaakt voor de toeristen zonder meer. Gisteren zijn we even langs gegaan met Bouba. We kregen een miniconcertje. Amadou stelde voor om vandaag terug te komen, zo kon hij ons laten zien hoe de kora gemaakt wordt. Een fotoreportage vind je bij de foto’s… Zelf twijfel ik een beetje of ik er een zou kopen. Staat mooi in de living, vangt daar dan weer veel stof. 21 snaren zijn niet simpel om te spelen, ik heb soms al moeilijkheden met 6. Het is groot en fragiel en er is niet zo veel plaats meer in de auto. Maar het is en klinkt mooi!
Blog ImageMoest er iemand geïnteresseerd zijn.
Een traditionele met knopen om de snaren te spannen kost 150.000CFA
Een met houten spanschroeven 200.000CFA
Een met metalen spanschroeven zoals bv een folk gitaar 300.000CFA

655CFA = 1 Euro

Verzendingskosten kist inbegrepen kost 100.000CFA.

Amadou werkt als volgt:
Er wordt via mail afgesproken welk soort instrument je wil.
De eerste schijf die je via Western Union overmaakt zijn de transport kosten.
Dan stuurt hij de kora op.
Als deze goed en in één stuk aankomt, betaal je het instrument.

Amadou is betrouwbaar en we hebben hier goede kontacten met mensen die hem ook kennen.

Yorg iets voor jou? Of iets voor Poco a poco? Jan T? Wim J?
Misschien is er hier een goede ziel die eentje of 2 naar België wil meebrengen vanuit Bamako, voor niks natuurlijk (of een pintje of 2,3)
Blog ImageZo klinkt de kora.

Achtergrond info.

Wees gerust ik heb hier geen precentje op ☺

  • Comments(2)//www.tamtamafrikan.be/#post28

Tabaski en Tamikrest

MaliPosted by veerle Wed, December 10, 2008 21:36:26
We zijn nog steeds bij Maïka en Bouba in Bamako. Dankzij hen hebben we hier al een paar heel leuke en interessante ontmoetingen gehad. Zo heb je Fanta, het meisje dat hier in huis werkt, Moussa, de overbuur en muzikant, Pino (heet eigenlijk ook Bouba, maar er staat Pino op zijn gitaar, dus wij noemen hem zo), vriend van Moussa en ook muzikant, Gaoussou, collega van Maïka, Sanne, Nederlandse en werkt hier voor een jaar in een school… Bouba, Moussa en Pino zijn toearegs, Fanta is dogon en Goussou is bambara. Heel ingewikkeld allemaal, heel interessant. Goussou heeft ons proberen een beetje te vertellen van hun familiegeschiedenis en hoe iedereen zich verhoudt tegen elkaar, maar ‘t is echt moeilijk om te vatten. Iets eigenaardigs: een ijsbreker hier is vaak: ‘Ah, jullie zijn onze slaven geweest!’ en dan begint iedereen te lachen. De eerste keer dat wij dat hoorden, klonk dit heel raar in onze oren. Ik begrijp nog altijd niet goed wat ze bedoelen met het woord slaven. Het was soms voor kost en inwoon werken in het huishouden ofzo, denk ik. Als we dan zeggen: ‘Mogen wij dan als grapje zeggen, dat jullie, zwarten, onze slaven waren vroeger?’ ‘Nee, absoluut niet, zeer slecht!’ Tja. Eén ding is zeker, de toearegs zijn een heel fier volk en kijken neer op de rest van de wereld. De vrouw heeft er blijkbaar wel een goede positie. Zij beweren dat bij hun de vrouwen koninginen zijn. Ze moeten alleen maar eten, slapen en kinderen maken. Voor het huishouden hebben ze iemand in huis (in tent ☺), die voor hen werkt. Er is zeker en vast racisme, maar ik heb nog niet goed door wie tegen wie. De toearegs kijken neer op de bambara, maar worden zelf niet goed behandeld door de regering en rebelleren daar tegen.

Gisteren gingen we naar een concert van een bekende groep toearegs, Tamikrest. Hier een linkje.
Goeie muziek en een interessante belevenis. Je kon tickets kopen van 10 000 CFA of 3000 CFA. Wij kochten de goedkoopste en moesten dus op de ijzeren stoelen achter een touw gaan zitten. Voor het touw zaten de VIP’s op plastiken tuinstoelen met een tafeltje. Wij konden echter even goed zien, geen probleem! Voor de tuinstoelen was de dansvloer. Fijn om mee te maken hoe de toearegs dansen. We hebben zelf ook enkele pasjes gewaagd, maar ik voelde me wat belachelijk met mijn ordinaire kleren. Al die vrouwen waren daar poepchique opgekleed met hun nieuwe kleren voor tabaski.
Opvallend: er waren daar alleen toearegs en een paar toeristen. Niemand dus van andere bevolkingsgroepen. Een wereldje apart, die toearegs. Je komt er niet gemakkelijk in en toch was iedereen heel vriendelijk. Iedereen deed normaal tegen ons. Behalve een madam van de organistatie: veel mensen namen foto’s en telkens als wij ons toestel boven haalden, kwam ze zeggen dat dat niet mocht. Eerst zei ze dat we de artiesten niet mochten fotograferen, dan geen foto’s, dan niet filmen. Maar als bijvoorbeeld Bouba vlak voor de groep rustig staat te fotograferen, kwam niemand iets zeggen. Racisme? Of schrik dat wij dat in Europa gingen verkopen? Of schrik om iets tegen de toearegs te zeggen? Of mogen foto’s alleen binnen de toearegs? Gelukkig verdedigde Bouba ons! En ik heb stiekem een filmpje gemaakt (hehe, nà!). Ik heb er geen enkel probleem mee dat mensen niet willen gefotografeerd worden, wij vragen dat trouwens altijd, maar als al de rest mag en wij niet, en dan nog van zo’n festival, niets persoonlijks dus, dan kan ik daar niet goed tegen!!! Al bij al was het optreden tof!
Blog ImageWat ook gewoonweg fantastisch was, was tabaski, het offerfeest, dat we gevierd hebben bij Gaoussou’s familie.
Om naar het feest te gaan, moesten we wel wat opgekleed zijn. De mensen hier kopen allemaal nieuwe kleren voor deze dag, om ter mooist. Ik leende iets van Maïka, wel mooi eigenlijk. Gert moest van Bouba absoluut een djelaba aandoen en een toeareg tulband. Geen ontkomen aan! Grappige toestanden natuurlijk! Veel te warm, snikheet, zo’n tulband, volgens Gert. Bouba zegt dat de tulband vooral traditie is en niet tegen zon of stof. Het helpt wel, maar is niet de belangrijkste reden. Als jongens volwassen worden, krijgen ze een tulband. Vanaf dan moeten ze steeds hun mond verbergen in het bijzijn van oudere of belangrijkere mannen. Eindelijk eens een volk waar de man een sluier moet dragen! ☺
Blog ImageEnfin, wij dus helemaal opgedirkt naar het feest. Gaoussou, de man des huizes, houdt zich bezig met het slachten, in stukken snijden en grillen van het schaap. Zijn vrouw maakt saus klaar, wast af e.d. Wij hebben fruitsla à la Maïka gemaakt. Goussou vond het heel raar dat Gert mee kwam fruit snijden. Dat is vrouwenwerk. Iedereen kon er hartelijk om lachen en Bouba hielp op den duur ook mee. Maïka legde uit dat wij ons niet op ons gemak voelen als anderen werken en wij lui in een stoel zitten. Ze begrepen het wel. Leren van elkaar, hé!
Bij ons spelen kinderen met playmobile, hier spelen ze met de kop van het schaap, de tong enzo en ook met de poten. Die kop ligt daar trouwens heel de tijd naar ons te kijken, terwijl wij lekker zijn lijf oppeuzelen. Als vegetariër heb je hier wel een probleem! Een maaltijd, zowel ‘s middags als ‘s avonds, is hier eigenlijk altijd rijst, vlees en een saus. Zo hebben we op een avond eens taboulé gemaakt. Zeer raar vinden ze dat hier, een koude maaltijd. Bouba heeft er niet veel van gegeten. Fascinerend en grappig! Ze vinden het ook verbazingwekkend hoe snel wij iets kunnen klaarmaken. Zij laten altijd alles uren koken. Ik vroeg eens aan Bouba waarom ze niet een grotere pot thee in één keer zetten, in plaats van drie keer een beetje thee. ‘Omdat we veel tijd hebben en het gezellig is.’ Makes sence!
In de late namiddag bij Goussou werden alle kinderen gewassen en trok iedereen zijn nieuwe kleren aan. Fier als een gieter waren de kids. We hebben een heerlijke, gezellige namiddag gehad! Bedankt Gaoussou!
Kijk zeker eens naar de foto’s, want die zeggen meer dan dit tekstje.
Blog ImageVandaag vouwden we de kaart open van West-Afrika, samen met Bouba en Moussa. Het ging over de belachelijke landsgrenzen in de Sahara, die het toeareggebied doorklieven. We denken dat ze er indertijd om gedobbeld hebben en dat Algerije goed gespeeld heeft ☺
Moussa vind het maar raar dat wij allerlei papieren nodig hebben om Algerije te doorkruisen. Zij doen dit in de woestijn, niet langs douaneposten, zonder identiteitskaart. Ze reizen ‘s nachts, volgen de sterren. Straks komt er een man thee drinken, die ons tips kan geven voor de oversteek en mensen kent die kunnen gidsen. Moussa zegt dat we zeker niet met militairen mogen gaan, want dat die onmiddellijk gesignaleerd worden in de streek en dat de toearegs net hen aanvallen. Ze hebben het dus niet op blanke toeristen gemunt, maar op het leger, de regering. Dat is hun oorlog. Hij zegt dat als we een toeareg als gids hebben, hun volk ons net zal helpen.
We toonden onze verdere reisroute op de kaart en Bouba zegt: ‘Hoe? Maar je kan veel korter naar Algerije rijden, hoor!’ Wij schieten allemaal in de lach: ‘Bouba, dat noemt men nu toerisme!’
Enkele avonden geleden was het hier ten huize Maïka supergezellig. Moussa en Pino leerden Gert toearegmuziek spelen op gitaar. In het begin even moeilijk, omdat het een totaal ander ritme is, maar daarna deed onze Gert het prima. Het was echt heel mooi! Pino heeft trouwens mogen meespelen met een paar liedjes met Tamikrest op het optreden.

Voor de rest is ons dagelijks leventje hier zalig rustig, veel siësta. Gert gaat dikwijls shoppen met Bouba. Bouba wijst hem overal de weg en krijgt een goeie prijs, voor spullen voor de auto ofzo. Maar ze gaan ook samen naar de markt bijvoorbeeld. Die twee komen goed overeen, plagen elkaar altijd en Bouba noemt ons al cousin en cousine.

We hebben besloten om morgen ons visum te verlengen en een multiple entrée aan te vragen. Dat kost niet veel en zo kunnen we eventueel een stukje Burkina doen en dan terugkomen voor le festival au desert. Niets is zeker, maar in dat geval kunnen we op de moment zelf nog kiezen.

Leuk om weten: we staan vermeld op de site van Jason en Kelly, de Canadezen die we ontmoet hebben in Spanje en vervolgens in Marokko.
Dit is hun website.
Je vindt ons als volgt:
Klik trip blog, dan go to archive en dan twee titels another roving rover en chefchaouen.
Leuk!


  • Comments(4)//www.tamtamafrikan.be/#post27

Mali, arheqam

MaliPosted by veerle Mon, December 08, 2008 02:14:54
Vandaag is het 7 december. We zijn dus exact drie maanden onderweg en ik voel me fantastisch!

Even inpikken, daar waar we jullie achtergelaten hebben.
Blog ImageWe hebben een fantastische tijd beleefd in het huis van Dirk aan ‘la petite côte’, ten zuiden van Dakar, Senegal. Met Sylvaine en Sheik (niet Cher dus, zoals wij dachten, sorry) en zijn broers. We hebben 1 2 3 piano gespeeld met het zoontje van Sylvaine en een hoop volwassenen. Lachen! Met enkele vrouwen van het batikken hebben we een gezelschapsspelletje gespeeld met apen die niet mogen vallen. Hilarisch! Anje en Hil, ik moest denken aan die vrouwen in de hamam in Damascus en aan het lepelverhaal in Bosra.
Om te bedanken en vooral voor de gezelligheid hebben Gert en ik op een avond gekookt voor Sheik, zijn broers, Sylvaine en twee van haar zonen. Tagine à la Gert met heel veel groentjes, want Sheik en zijn broers eten dat bijna nooit, te duur denk ik. We wilden zeker niet te weinig hebben, dus hadden we natuurlijk veel te veel gemaakt. Ik nam de overschot mee naar de keuken. Sheik raakte wat in paniek en zei in het Wolof tegen Sylvaine (hij dufde het niet zelf) dat zij tegen ons moest zeggen dat we dat eten zeker niet mochten weggooien, dat zij dat gerust morgen nog wilden opeten. Het was nog een pot vol! Natuurlijk gooien wij dat niet weg! Blijkbaar denken zij dat blanken altijd veel eten weggooien, wat soms wel waar is waarschijnlijk. Gert en ik hadden echter al bedacht dat we de volgende avond daar met zijn allen nog eens van konden eten. Dus Gert zegt: ‘Natuurlijk mag je er morgen nog van eten!’ De volgende ochtend zijn die gasten aan het eten. ‘Thank you!’ roepen ze. ‘Waarom zeggen ze nu thank you ‘s morgens?’ vroeg ik mezelf af. Die avond willen we de overschot opwarmen. Ik trek de koelkast open. ‘Huh, waar is de pot?’ Die gasten hadden dat al lekker opgesmuld! Wij een beetje verontwaardigd: ‘Hadden ze dat nu niet even kunnen vragen?’ We vertelden dit voorval aan Sylvaine. Zij zei: ‘Maar, jullie hadden toch gezegd dat ze het mochten opeten?’ ‘Ah ja, maar wij dachten het samen te verorberen!’ Enfin, één groot communicatiemisverstand dus! Niet erg voor ons natuurlijk, die gasten mochten dat met veel plezier opeten, maar je ziet hoe een taalbarrière tot misverstanden kan leiden!
Iets dergelijks maakten we op de markt mee. We kochten tomaten van een vrouw, hadden al betaald en waren ze in onze zak aan het steken. Ondertussen vraagt Gert: ‘Est-ce que vous avez du gingembre?’ Plots wordt de vrouw kwaad en wil de tomaten niet meer aan ons geven. Ik wil ze nemen, ze pakt ze af. Huh? Gelukkig was er een meisje die voor ons alles vertaalde. De vrouw haar gezicht klaarde op, ze lachte en gaf de tomaten terug. Wat ze verstaan had, zullen we nooit weten!
Maandag hebben we uiteindelijk afscheid genomen van iedereen. Back on the road. Een dubbel gevoel, maar een goed gevoel. We hebben fantastische mensen leren kennen en hebben zin om naar Mali te gaan. Mali, daar hebben we tot hier toe alleen maar goeie dingen over gehoord. Het is voor mij ook het land dat mij vooraf het meeste aantrok. De mysterieuze touaregs, de peul (herders), de huizen van leem, de woestijn…

De eerste dag rijden we tot Kongheul, een dorp tussen Kaolack en Tambacounda. Daar slapen we in kampement Bamboux, op aanraden van Matt en Anna. Ze herinnerden zich allemaal Anna nog. ‘Heel vriendelijk, Anna!’ zeiden ze steeds. Anna is kok en legt zo haar contacten. Overal springt ze mee de keuken in om recepten te leren. De mensen vinden dat geweldig. Het kamp is vooral bedoeld voor jagers. ‘t Was nu geen jachtseizoen, anders hadden we misschien een everzwijntje gegeten ☺

De volgende dag plannen we te overnachten in Goudiri, een stadje vlak voor de grens met Mali. Bij het binnenrijden van de stad zien we een overlandtruck langs de kant van de weg staan. We stoppen en gaan goeiedag zeggen. Een koppel, dertigers, Zuid-Afrikanen. Onmiddellijk beslissen we samen te bushcampen voor de grens. Man, man, man, we hebben een fantastische tijd gehad met Roxy en Steve!!! Twee nachten hebben samen wild gekampeerd, een kampvuurtje gemaakt, gegrild, poiki (stoofpotje op vuur; wij hebben nadien een poiki gekocht op de markt in Kayes voor 5 euro). Zuid-Afrikanen houden van kampvuren en braai (bbq). ‘s Avonds hebben we uren verhalen verteld aan elkaar, reizigersverhalen. Supertof, zoals bedoeiënen rond het vuur. Ik betrapte mezelf erop dat de meeste spannende en grappige verhalen die ik kon vertellen meestal over Wadi Rum gingen ☺, maar ook India kwam veel aan bod. ‘t Was echt zo leuk naar elkaars verhalen te luisteren, interessant, plezierig… Het klikte echt tussen ons.
Blog ImageDe grensovergang tussen Senegal en Mali was geweldig! Niemand (!!!) heeft geld gevraagd. Er was wel één agent die toch even polste of hij niet één van de fietsen cadeau kreeg van Roxy en Steve, maar hij drong niet aan. Misschien besefte hij zelf dat dat een belachelijk groot cadeau is! We moesten wel in de grensstadjes, langs beide kanten, zelf op zoek gaan naar de verschillende bureautjes om alle papieren in orde te krijgen, paspoorten, carnet etc. Die lagen namelijk niet naast elkaar, maar waren in verschillende straten en er was niets aangegeven. Rondvragen is dus de boodschap. De mensen waren echter heel vriendelijk, zeker aan de Malinese zijde! Hier was er ook geen enkel probleem voor de carnet. Een goed begin! Aan de Senegalese kant was er wel een agent kwaad op ons, omdat we voorbij waren gereden. We hadden hem echter niet gezien. Hij zat ver van de kant en zijn plakkaat was omgevallen. Kunnen wij toch niets aan doen! Ze kunnen daar echt niet tegen, die agenten, als je per ongeluk voorbij rijdt!
Voor het visum van Roxy en Steve en voor onze autoverzekering moesten we naar Kayes, 100 km verder. Normaal kan je een visum aan de grens kopen, maar hun reçukes waren op ☺ Zij zonder visum en wij zonder verzekering reden dus Mali binnen. Fantastisch land, dacht ik meteen!
In Kayes hebben we alles geregeld gekregen op het politiebureau voor buitenlandse zaken. Tijdens het wachten moesten we van de agent zeggen op welke paarden hij moest gokken. We zeiden dat we er niets van kenden, maar dat geloofde hij niet. We hebben er dan maar een slag naar geslagen, naar de favorieten gekeken en Nederlandse namen. De agent was teleurgesteld dat we niet een nacht in Kayes bleven, maar wij wilden liever weer bushcampen met onze vrienden! Alleen vind ik dat wat griezelig, maar met meerdere mensen vergeet je de spanning en is het supergezellig. Af en toe komt er eens een herder goeiedag zeggen, maar in Mali blijven de mensen beleefd op een afstand. Ze laten u met rust.
Een keer stopten we voor de lunch en enkele nieuwsgierige kinderen kwamen kijken. Niemand vroeg geld of een stylo! Een paar vrouwen kwamen ook af. We smeerden bokes met choco en lieten iedereen water drinken. Er was één deugnietmeisje, lief en grappig. Zij durfde het meest. Ze voelde aan mijn haar, begon te dansen op de muziek van Roxy en Steve en wou toch wel eens zelf ons kraantje uitproberen. Het kraantje vonden ze allemaal heel interessant! Het meisje vond ik een jongere versie van Ashwini in India. Ze wilden ook heel graag op de foto staan. Een superland!
Blog ImageOnderweg gaven Gert en ik een lift aan een man, die 200 km verder zijn verloren schapen ging ophalen. Ze hadden hem gebeld, dat die gevonden waren. De man was een peul, een bekend herdersvolk hier.

Na een laatste dag lang rijden arriveren we in Bamako. Net te laat eigenlijk, want net donker. We zijn een stukje omgereden, door de stomme gps van Roxy en Steve. Terwijl volgens mijn plan en de pijlen we links moesten, zijn we toch rechts gegaan. Hadden ze maar naar mij geluisterd! Wij hebben geen gps nodig! Een gesukkel met die grote truck van hen in de straatjes van Bamako. Wat rondgevraagd en uiteindelijk iemand meegenomen als gids naar camping Djoliba.
Daar worden we ontvangen door Mr. Cool. Hebben we iets nodig? Vraag het aan Mr. Cool (Anje, Hil: deed me denken aan the king of tourisme)! De camping ligt aan de oever van de Niger. Weer een prachtige room with a view! Veel plaats, wat bomen en pintjes in de bar! ‘t Kan niet meer stuk. We blijven daar twee dagen, waarvan één dag aan de auto’s gewerkt wordt. Bij ons wat kleinigheden, bij Roxy en Steve werkte de alternator niet meer. Er werd een garagist bij gehaald. Die heeft alles uit elkaar gehaald en dan weer terug ineen gezet, zonder iets effectief te veranderen en toen werkte alles weer. Hij zei dat het een zekeringprobleem was, wat volgens Gert en Steve niet kan en toen vroeg hij 30 000 CFA. Ah ja, het werkt toch terug! Steve heeft kunnen afbieden tot 14 000 CFA. Way to go Steve! Ja, wij praten nu een beetje Zuid-Afrikaans Engels: ‘Thanks babe!’ en ‘No problem man!’.
Op de camping ontmoeten we Pierre, de Fransman, opnieuw, die we in Nouakchot gezien hadden. En dan was er nog de Duitse Kirsten, een vrouw alleen op schok, die een beetje op zoek was naar gezelschap. Met Pierre had ze geen contact, want ze hadden geen gemeenschappelijke taal. Voor ons zo raar! Weeral eens blij om in België geboren te zijn. Wij kunnen altijd met iedereen praten. Roxy en Steve konden trouwens ook geen Frans. Wij dus altijd vertalen, wel leuk eigenlijk. Pierre deed trouwens heel afstandelijk tegenover hen, tot hij hoorde dat het geen Engelsen waren! Die Fransen en die Engelsen toch!
Kirstens doel van haar reis was muziek en dans. Zij overhandigde ons een programmaboekje van het Frans Cultuurcentrum van Bamako. Mali is immers hèt land van de muziek in West-Afrika. We doorbladerden het boekje, hadden een democratisch overleg naar waar we zouden gaan die avond en kwamen gemakkelijk tot een akkoord, na de pro en cons op een rijtje te zetten bij een frisse pint. ‘t Was kiezen tussen een megaconcert van 10 000 CFA, met jury en een optreden van een Frans-Malinese groep (Delta) van 1500 CFA. We kozen voor onze portemonnée.
Voor we vertrekken naar de stad, bellen Gert en ik Maïka op. Wie is Maïka? Een Vlaamse coöperante van de ngo Volens in Bamako. Sylvaine had haar opgebeld en ons per telefoon voorgesteld. Ze klonk heel ok en nodigde ons uit bij haar thuis. We maken een afspraak voor de volgende dag.
In de stad zoeken we een restaurantje dat in de Lonely Planet staat. Gevonden, maar gesloten. Een tweede gevonden en gesloten. Dan maar aan de locals gevraagd naar een goed restaurantje en gevonden, goedkoop en lekker. Na het eten hadden we nog een uurtje voor het concert. We zoeken een café op in de Lonely Planet en belanden in een hilarische plaats! Je stapt binnen en waant je in de film. Het is een echt TexMex café, vlaggen van indianen, garçons met cowboyhoeden, muziek zoals ‘Hotel California’ en cocktails. Ongelooflijk grappig en plezant! Zo tof dat we de tijd uit het oog verloren. We reppen ons naar het CCF, zijn veel te laat, vragen of het nog de moeite is om binnen te gaan. ‘Ja, natuurlijk!’ We betalen, zetten ons neer en horen de laatste drie liedjes. Het volk: Franse expats, veel chichi en blabla en rijke Malinesen. Wijle weg, gaan slapen, ‘t was nen helen toffen avond!!!!
Blog ImageDe volgende dag nemen we afscheid van onze nieuwe Zuid-Afrikaanse vrienden. Zij rijden verder noordwaarts. Wij volgen Maïka naar haar huis. Kirsten is ook gelukkig, want vlak voor wij vertrokken, arriveerden er vier Duitsers, die wij trouwens ook eerder al hebben ontmoet, maar niet zo heel tof vonden.

Nu zijn we dus bij Maïka en ‘t is hier weeral superleuk. We leren Bouba, kennen, vriend en huisgenoot van Maïka. Bouba helpt ons met vanalles, gasflessen laten vullen, garagist zoeken om olie te verversen, een bewaakte parking zoeken voor de auto en nog veel meer. Zo moeten we zelf niet op zoek gaan en worden we niet bedot.
Bouba is fantastisch, een gids trouwens, afkomstig uit Timbouctou. Hij doet me erg denken aan onze bedoeïenen in Wadi Rum. Hij maakte een traditionele touareg maaltijd klaar voor ons: proeft net hetzelfde als in Jordanië en Moussa vertelde ons hoe ze brood maken in de woestijn, in het zand, ook weer hetzelfde. De muziek is ook gelijkaardig. Bouba kent trouwens Mohammed Abdu en was vooral zeer verbaasd dat ik hem kende! Hij heeft een aantal jaar in Saoudi-Arabië gewerkt en spreekt ook Arabisch. Hij heeft ons voorgesteld om zijn neef in Mopti te bellen. We zouden bij zijn familie mogen logeren en kunnen onze auto daar veilig op hun binnenplaats zetten, terwijl wij de dogon country bezoeken (wat niet per auto gaat en minstens twee dagen in beslag neemt). Bouba kan ons aan een betrouwbare gids helpen. Velen zeggen immers dat ze touareg zijn, maar zijn het niet. Ze zeggen dit alleen maar, omdat de toeristen dat graag horen.
Bouba heeft ook al een beetje verteld over de touaregs. Interessant!
Wat ik zo spijtig vind, is dat ‘Le festival au desert’ pas 8 januari
is. Dan zijn wij waarschijnlijk al in Burkina. Meer over de touaregs en het festival in de historische noot.

Een historische noot voor de liefhebbers:
De touaregs hebben een hiërarchie, een soort kastensysteem, maar toch weer helemaal anders. De dag van vandaag begint dat echter allemaal te veranderen. Oorspronkelijk heb je binnen de touaregs o.a. de strijders, de griotten (vertellen de geschiedenis door; gebruiken ook muziekinstrumenten), de karavaanmensen die handel drijven, de smeden (maken juwelen; Bouba’s familie)…
De touaregs liggen in conflict met de regering (in verschillende landen), omdat ze geen stem hebben, er wordt niet naar hen geluisterd en er wordt geen geld gestopt in hun gebied. Daarom heet de piste naar Timbouctou ‘la route de l’espoir’, ooit hopen ze dat deze weg geasfalteerd wordt, al jaren wordt dit beloofd. In andere gebieden gebeurt dit wel. Daardoor zijn er in het noorden rebellengroeperingen van touaregs en daarom zijn de bambara (de bevolkingsgroep van de echte zwarte mensen) bang van hen. Als Bouba zijn tulband aan doet, wordt hij bijvoorbeeld ook veel meer tegengehouden door de politie. ‘t Is ingewikkeld, maar weeral superinteressant.
‘Le festival au desert’ is dat festival dat o.a. door Sfinks gesuport wordt qua oganisatie en het heeft plaats in een dorp vlakbij Timbouctou. Ik heb er thuis een CD van, gekocht van de touaregs op Sfinks! Die verkopen daar juwelen, dus ik denk dat ze van dezelfde kaste zijn als Bouba. Oorspronkelijk was dit festival een bijeenkomst van touaregs om hun tradities te vieren. Nu begint het spijtig genoeg meer en meer toeristisch te worden en kost het voor een Europeaan al evenveel als een festival bij ons. (Trouwens opgekocht door een Amerikaanse organisator zoals zovele concerten in Europa n.v.G)


Mensen, ik heb hier de tijd van mijn leven! En Gert ook! Mali is fantastisch. Maïka, alvast bedankt voor alles! Bouba ook!
Morgen is het het grootste feest van de islam, Tabaski, de herdenking van Abraham, zijn zoon en het schaap. De stad staat dus vol blatende zielige schapen, die morgen geslacht worden. Wij zijn uitgenodigd bij een collega van Maïka, ‘t zal weer een belevenis zijn!
Ik zal wel blij zijn als dat feest voorbij is, want dan is er weer veel minder kans op bestolen worden. ‘t Is trouwens daarom dat onze auto op een bewaakte parking staat en niet voor de deur. Die collega van Maïka zei dat dat het veiligste is vlak voor het feest.
Ik heb het gevoel dat ik uit mijn melancholische periode ben. Ik voel me goed! Ik voel me heel goed!


Sinds enkele dagen is 't echt begonnen! (G)

  • Comments(3)//www.tamtamafrikan.be/#post26