tamtamafrikan

tamtamafrikan

Onze Blog

Wilde en andere avonturen op onze rondreis door West-Afrika.

België, Frankrijk, Spanje, Marokko, Mauretanië, Senegal, Mali, Burkina Faso, Mali, Burkina Faso, Ghana, Togo, Benin, Nigeria, Kameroen, Nigeria, Niger, Burkina Faso, Mali, Mauretanië, Marokko, Frankrijk, België

Internationaal konvooi

KameroenPosted by veerle Tue, April 07, 2009 18:49:28
Sarah en Florian legden een hoop geld neer op de ambassade van Congo en plots was het heel gemakkelijk om snel een visum voor hen te maken. Dus voor ons vier was het visumshoppen in Abudja gedaan, dus zaterdagochtend, wijle weg! We stevenden recht af op Ekok, de grens met Kameroen.

De eerste nacht kampeerden we gratis bij een hotelletje in Makurdi en ze hadden zelfs koude pintjes!
De tweede nacht besloten we een klein omweggetje te maken en naar de Cattle Ranch te rijden, in de bergen, dichtbij Obudu. Je zou er een prachtig uitzicht hebben. Hoe dichter we bij de Cattle Ranch kwamen, hoe mooier het landschap werd en hoe kouder het werd, aangenaam dus. De laatste tien kilometer was een kleine weg vol haarspeldbochten, recht naar de top. Het was een perfecte asfaltweg, met mooi aangeplante bloemen langs de kant. Dat was raar voor in Afrika… Als we boven toekwamen, viel onze mond open, het was weer alsof we een andere wereld binnenstapten. De Cattle Ranch was een gigantisch groot rijkeluisdorp. Je kan er kamers, bungalows, huizen en villa’s huren. Alles is verbonden met asfaltwegen en overal is straatverlichting. Moe, zwetend, stinkend en stoffig, stapten we de megachique receptie binnen, een beetje beschaamd, maar stiekem trots. We legden uit dat we een plek zochten om te kamperen. De beleefde dame gaf ons een prijslijst van de kamers en villa’s en dergelijke. Het begon bij 20 000 naira (= 100 euro) voor één nacht. We slikten en schoven de lijst opzij. ‘Sorry, mevrouw, maar is het mogelijk om te kamperen?’ ‘Ga even zitten. Ik kom zo bij u.’ We zetten ons in het salon. De film ‘Independence Day’ begon net. We waren moe. Het was al donker. We zaten boven op een berg. We konden de kamers hier niet betalen. We konden nergens anders heen. Na een lange tijd knikte de dame in onze richting. ‘Deze gids zal u naar een plekje brengen waar u mag kamperen.’ ‘Moeten we iets betalen?’ ‘Nee,’ zei ze stilletjes. Oef! De gids bracht ons een paar kilometer verder. ‘In de ochtend zal je hier een heel mooi uitzicht hebben,’ vertelde hij ons, ‘Weet je, soms moeten mensen zoals jullie wel betalen om hier te kamperen, maar deze dame wil geen geld vragen voor deze plek.’ We begrepen snel waarom. Het leek de nationale kakplaats van alle koeien van de ranch. Er was geen toilet, geen water, geen struiken, alleen gras. Gelukkig was er veel mist…
Sinds zeer lang haalden we allen onze truien, fleecen, sokken, schoenen en lange broeken boven. Het was freezing koud. Nieuwsgierig als we waren, namen we de thermometer. ‘En? Hoeveel graden is het?’ ‘20°C’ ‘Wat???’ We waren echte Afrikanen geworden. Dik ingepakt bij 20°C…
‘s Morgens was de mist zo dicht, dat er geen sprake was van een mooi uitzicht. We zullen nooit weten, hoe het er daar uitzag. Met een zicht van 15 meter reden we de berg af. Sarah en Florian eerst. ‘t Zijn Zwitsers voor iets!

Die dag bereikten we Ikom, het laatste stadje voor het eigenlijke grensdorp. We konden er weer kamperen op de binnenplaats van een hotelletje. Voor een redelijke prijs huurden we één kamer voor het gebruik van douche en toilet. Dat is het voordeel van met meerdere mensen te reizen. Je deelt de prijs van een kamer, voor de badkamer, maar slaapt in je tent. Dit was de eerste en laatste keer dat we in Nigeria hebben moeten betalen voor accomodatie.

Wie zegt dat Nigeria een verschrikkelijk land is? Gevaarlijk, massa’s roadblocks en agenten die u afzetten. Wij hebben er alvast niets van gemerkt! Enkele politiecontroles met steeds vriendelijke mannen, niemand die iets vroeg, velen wuifden ons gewoon door. Uiteraard hebben we bewust een alternatieve route gekozen, maar dan nog.
Alleen in Ikom vond ik de mensen niet vriendelijk (uitgezonderd het hotelpersoneel). Een gast die obscene gebaren naar me deed enzo (trouwens de eerste keer in Afrika! Gemakkelijk hoor, getrouwd zijn!). In de rest van Nigeria, vonden wij de mensen supervriendelijk, enthousiast, niemand die om een cadeau vroeg…

En dan…op naar de grens, op naar de beruchte Mamféroad. In Ikom zeiden de mensen dat het al vier dagen niet geregend had. Dat gaf ons hoop en moed!
De grens was weer geen enkel probleem, wel zeer traag, aan beide kanten. Vier namen opschrijven in het grote boek is veel werk. Je moet dan ook nog eerst het juiste grote boek vinden.
Ook de mannen aan de grens wisten te zeggen dat het de laatste dagen droog was gebleven. Ok, let’s go! De eerste 500m waren geen probleem. Dan maakte de weg een bocht en wat vonden we daar? Zeer diepe putten vol water met vrachtwagens die erin vastzaten. Ze zaten er precies al lang vast. Soms kon je er naast passeren door de modder. Eerst verkennen en dan lieten de mannen hun beste rijkunsten zien en ze waren goed! Sarah en ik gingen te voet en legden alles vast op film. Soms hadden de locals een bypass gemaakt, waar je moest voor betalen. Gelukkig was dat maar één keer het geval voor ons. Zoals gezegd waren onze mannen goede offroaders met uiteraard goede 4x4s, maar de locals, zij reden erdoor met gewone auto's, nee, geen gewone, oude wrakken. Veel duw en trekwerk dus voor Gert en Florian.
Het werd een beetje een gezellige familie, iedereen hielp iedereen. Eigenlijk vond ik het stiekem wel leuk. Dit stuk zeer slechte weg was ongeveer 20km. Daarna was het een normale piste. Dit is dus de Mamféroad in droog seizoen! De verhalen die we hoorden van tijdens het regenseizoen, wil ik liever niet live meemaken. Dan doe je zes dagen over deze 20km! Wij geraakten in één dag tot Eyuckom, een dorp vlak na het slechte stuk. Van andere reizigers wisten we dat je daar kon kamperen in den hof van de gendarmen. En dat was zo! Een zeer vriendelijke gendarm heette ons welkom en toonde ons een mooi grasveldje, lekker veilig en geen pottekijkers, want niemand durft den hof van de gendarmen betreden! We mochten zelfs water nemen uit hunne put om ons te wassen. We zaten namelijk allemaal onder de modder en zweetten verschrikkelijk. Gert en Flo fabriceerden een douchegordijn en alles was fijn! We kropen onze warme bedjes in en droomden van een droge Mamféroad, nog 60km te gaan morgen...

Onze dromen werden werkelijkheid. De volgende 60km waren kurkdroog en 's middags waren we dus reeds in Mamfé! Onderweg waren de mensen wel niet zo tof. Een jongen gooide zelfs stenen naar ons! We remden en snel liep hij weg. Welkom in Kameroen!
We reden Mamfé binnen. 'Hey, een blanke! Hey, 't is Harm! Gert, stoppen, Harm, 't is Harm!' Door de walkie: 'Guys, pull over, we saw a friend!' Ja, ja, wij hebben walkies, leuk hoor! Ik spring uit de auto en ren naar Harm. Die kijkt verdwaasd op, kijkt nog eens en staat op met een grote smile. Hij was ook net aangekomen. Hij wist dat we net voor hem waren, want hij had onze namen in het grote boek gezien. Terug verenigd. Harm voelde zich echter niet goed. Gert en Flo gingen onmiddellijk op zoek naar een plek om te kamperen. De Data Club waar sprake van was, vroeg veel te veel geld, maar ze vonden een ander hotelletje met een leuke tuin achter het huis. We deelden weer een badkamer, nu met zijn vijven. Daar stonden we dan, een Landcruiser en een Land Rover met daktent en een moto met tentje op de grond. Onze familie groeit. Er werd havermoutse pap gemaakt voor Harm, een tarp gespannen over zijn niet waterdichte tentje, teatreedruppeltjes, thee... we zouden hem eens goed swanjeren, want hij had het nodig.
Snel werd duidelijk dat het een zeer speciaal hotelletje was waar we verbleven, een één uur hotel, als je begrijpt wat ik bedoel!

De volgende dag deden we inkopen op de markt, samen met Christine, een Kameroenese. Zij wees ons de weg en kende de prijzen. Ze vroegen 200CFA voor een brood. Wij dachten dat dat teveel was en boden af tot 150CFA. Achteraf zei Christine dat 200CFA de normale prijs is en dat zij nog nooit een brood gekregen heeft voor 150CFA. Huh?! Wij onnozele blanken toch!
Na onze inkopen nemen we de piste richting Buea, richting Mount Cameroon, de hoogste berg van West-Afrika. Na de Mamféroad hebben wij geen schrik meer van pistes! Pfff, peanuts! Ons konvooi wordt met veel verbaasde ogen nagekeken, vooraan Harm op de moto, vervolgens Sarah en Flo en wij sluiten de rij. Zoveel white men together! Scary!
Die dag geraken we tot in Nguti. We belanden in een leuk, zeer proper hotelletje. We waren de enige gasten. De manager en zijn werknemer, vriendelijke stille mensen, kwamen bij ons zitten, keken, luisterden, vroegen af en toe iets... Ze hadden nog nooit overlanders gezien. De werknemer, een arme stakker at met ons mee. Aan sommige mensen geef je met plezier een bord vol heerlijks. Hij genoot met volle teugen: 'Voor ons is het soms moeilijk om eten te vinden.'

En dan zijn we nu in Buea, aan de voet van Mount Cameroon, de natste plek op aarde, op één na ergens in Azië en we zullen het geweten hebben. We hebben hier net een tropische storm achter de rug. We dachten dat alles veilig dicht was en kropen in het salon van de guesthouse. Wat ontdekten we echter? Dat de ritsen aan de achterkant van onze tent niet dicht waren! De wind blies de flap omhoog en alles is door en door nat. Een paar uur heeft het gegoten. Nu hangt onze inboedel te drogen. Leve het regenseizoen! En dit is dan nog maar het kleine regenseizoen! Niet leuk is mijn opinie. Avontuur is Gerts opinie. Hij blijft optimist tot in de kist. Gelukkig maar, dat maakt het allemaal veel draaglijker. En dan nog lieve andere reizigers, die warme kippensoep maken enzo. 't Is allemaal zo erg niet.
Voor de rest is het hier trouwens super! Vooral een heerlijk temperatuurtje! Niet te warm dus.
Onze jongste, Harm, zit op de berg. Hij doet een trektocht tot de top met een gids. Hij is er trouwens helemaal bovenop. Wij, de ouderlingen, zijn aan het twijfelen en discussiëren of we het zouden aandurven om een dagtripje te ondernemen. Ons lijf heeft namelijk de vorm aangenomen van een autozetel. Dan nog de storm van vandaag...hmhm...'t zal er niet inzitten vrees ik. We will see...

Waarschijnlijk bereiken we woensdag of donderdag Yaoundé. Steeds dichter en dichterbij...

  • Comments(6)//www.tamtamafrikan.be/#post41

Heet…te heet…

NigeriaPosted by veerle Fri, March 27, 2009 17:52:56
Elke beweging die ik nu maak met mijn vingers om deze tekst te typen…is teveel. Als je de hele dag zit en niet beweegt, van ‘s morgens 8 uur tot ‘s avonds 10 uur, dan loopt het zweet heel de tijd langs alle kanten van je lijf. De hittte slorpt al je energie op. Wij weten nu als geen ander waar het Afrikaanse leef/werkritme vandaan komt. Je kan maar één projectje per dag ondernemen, bijvoorbeeld de was of naar een ambassade gaan of een tekst schrijven of … Daarna moet je zitten en wachten op de avond. Het is officieel 39°C, Sara en Florian namen zelf de temperatuur op, 49°C in de schaduw. We zijn in Abudja, hoofdstad van Nigeria.
Abudja is precies een stad uit een science fiction film. Heel brede straten, een grote ring, overal straatverlichting en straatnaambordjes, veel moderne grote gebouwen, een chique goudkleurige moskee, een futuristische kathedraal, veel dure bakken van auto’s, maar…geen mensen! De stad lijkt leeg. Het is een stad gemaakt voor auto’s. We hebben geprobeerd te voet terug te komen van de Kameroense ambassade. Het is ondoenbaar, want je moet gigantische omwegen maken, omdat er geen shortcuts zijn voor voetgangers. Je moet dus de grote autobanen volgen en ze oversteken, lopen op hoop van zegen. Het is geen Afrikaanse stad. Er zijn geen kraampjes langs de weg. Je moet naar de peperdure supermarkt, met de auto. Er is simpelweg geen leven op straat. Echt raar! Ik zit hier op het dakterras van een café en als ik naar de auto’s kijk op de weg, ontbreekt enkel nog het feit dat ze zouden vliegen boven de grond in plaats van rijden.
Vroeger was Lagos de hoofdstad. Op een bepaald moment wilden ze echter de hoofdstad liever in het centrum van het land, dus werd Abudja getransformeerd tot administratieve stad. Veel ambassades en ministeries zijn verhuist, maar lang nog niet alles. Het lijkt alsof de stad nog niet af is.
De mensen die je hier wel ziet, zijn rijk, ambassadors, oliemagnaten enz.
In één van de peperdure hotelketens hier, logeren wij, in het Sheraton hotel.
Ja, ja, echt, wij logeren in de Sheraton…op de parking ☺ Het is bekend bij overlanders dat je in de Sheraton in Abudja gratis mag kamperen op de parking. Het is een gekke situatie. Wij worden weggemoffeld in een zeer warm hoekje achteraan op de parking, naast de reuzegeneratoren. Warm, want geen schaduw, warm, want naast de generators, warm, want op een hete asfaltvloer, warm, want het is gewoon warm. Naast ons is ere en barak waar elke avond traditioneel geklede moslimmannen samen komen om te bidden. Zij zijn zeer vriendelijk en appreciëren wel wat wij doen. We delen een waterkraantje. Ze gaven ons tijdschriften over de islam en gaven mij een compliment over mijn panje, die ze heel mooi vonden. Ik antwoordde dat zij ook heel mooi gekleed waren. Dat was ook, heel chique. Mijn panje heeft hier trouwens veel succes. De dame van de Kameroen ambassade vond het supertof dat ik die droeg en ze gaf me nog en tip hoe hem beter te knopen. We kregen dan ook een visum, zonder dat we al een autoverzekering hebben voor Kameroen. Tja, de kleren maken de vrouw. Zelfs een moderne jonge Nigeriaanse riep van ver: ‘I like your dress!’.
Wie ook nog onze vrienden zijn in de Sheraton, zijn de staff, de werknemers, de parkwachters enz. Met hen delen we de toiletten. En dan de douche…de douche is die van het zwembad. Dat wil dus zeggen, de open douche naast het zwembad. Dat wil dus ook zeggen, wassen in bikini, terwijl al die rijkelui staan te gapen naar die rare tisten die hun haar wassen en zich inzepen en al onder de douche van het zwembad en vervolgens verdwijnen langs de achterkant van het hotel. In het zwembad mogen we niet, tenzij we 2000 naira (=10 euro) betalen, maar daar zijn we te koppig voor.
Gelukkig staan we hier niet alleen. We delen de lovely parkingspot met Sara en Florian, een Zwitsers Koppel, die we reeds ontmoetten in Green Turtle. Zij reizen met een Landcruiser, maar op de parking van de Sheraton worden Landcruisers en Land Rovers beste maatjes. Ook zijn er nog Piotr van Polen en Julian van Ierland. Zij reizen per fietsen kamperen in een tentje! Zotte mensen! Piotr ontmoette ook Greg, Harm en Andrew. Sara en Florian kennen Anthony en Nikki. Florian vertelde over een excel file die hij had waar gegevens over kampplaatsen van verschillende mensen bij elkaar stonden. Het was de file die Gert gemaakt heeft en aan Anthony en Nikki gegeven had! Leuk!
Met zijn zessen amuseren wij ons hier kostelijk. Gisteravond hebben Sara en Florian voor ons gekookt, omdat Gert en ik drie jaar samen zijn (yep!) en Julian maakte fruitsla. Wij kraakten een lekkere fles J.P. Chenet en zette chips en olijven op tafel. Je moet weten, dat deze items voor ons allen nu pure luxe zijn. Je betaalt veel en bewaart het voor een heel speciale gelegenheid of voor als je een opkikker nodig hebt. Je leert het waarderen, heel erg waarderen. Na het dessert speelden we nog ‘Who am I?’. Je weet wel met een papiertje op ieders voorhoofd waar een naam op staat. Julian was bijvoorbeeld Allah. Gieren dus!
Sara, Florian en wij hebben besloten om samen verder te reizen, zeker tot en met de beruchte Mamféroad. Dit is de eerste 80km af te leggen in Kameroen. Wilde verhalen gaan de ronde onder overlanders over de staat van de weg. Als het drie dagen achter elkaar droog is geweest, dan doe je de afstand in vijf uur. Heeft het drie dagen geregend, dan doe je er zes dagen over. Leuker dus om samen te doen. Prettiger met vier hozen en graven dan met twee. Naar het schijnt helpen de lokals de natuur een beetje, zodat ze dan een bypass kunnen maken door hunnen hof en hiervoor dan 1000 CFA kunnen vragen. We zijn benieuwd, zeer benieuwd. Tante Suzanne, we komen eraan! Wanneer weten we nog altijd niet precies, maar ‘t zal niet lang meer duren!

Al de mythes over Nigeria kloppen tot hier toe voor ons helemaal niet. De verhalen van om de 100m een politiecontrole, de verhalen van valse taxeisers die een balk met nagels voor je auto gooien. Niets van dat al voor ons, maar wij hebben dan ook met opzet een kleine grenspost genomen, Nikki. Heel erg vriendelijke en behulpzame agenten daar. Het is wel het eerste land waar we onze vaccinatiekaart moesten laten zien. De officer in charge of health vond het een probleem dat we niet ingeënt zijn tegen meningitis (wat niet nodig is!). ‘Wat moeten we nu doen?’ vroeg hij. ‘Hopen dat we niet ziek worden?’ antwoordde ik. Hij lachtte en het was in orde. De eerste 90km die we reden was een goede voorbereiding op de Mamfé road, piste, putten, rotsen, in de brousse. Af en toe een dorp waar de mensen heel vriendelijk waren, waar de kinderen van alle uithoeken kwamen, waar ze juichten en zwaaiden, waar niemand om geld of een cadeau vroeg, oprecht blije gezichten. Ook gelukkige agenten, die eindelijk eens iemand konden controleren. Weer een healthofficer vond het een probleem dat onze naam niet met de hand was ingevuld op de gele kaart, maar dat het een sticker was. ‘Zeg hen in uw land dat ze in het vervolg het met balpen hier invullen. Ik wil dat zo!’ Tja, een computer kent hij niet, denk ik. Wim J., kan je dat even melden in het Tropisch Instituut, dat ze terugkeren naar de old fashion way?
De oude manke agent die aan de Benin kant zat, aan de grens, vroeg 2000 CFA per paspoort. Ik zei: ‘Als gij dat paspoort hier niet onmiddellijk afstempelt, gaan wij terug naar Nikki, naar het commisariaat en leggen we daar uit waarom wij geen stempel hebben!!!’ De man zweeg, slefte naar binnen, wrong zijn schuif uit zijn bureatje, nam zijn stempelkussentje, tekende, slefte naar buiten en opende de bareel. ‘Merci monsieur! Bonne journée!’
Net bij het begin van schemerdonker werden we tegengehouden door een agent in Nigeria: ‘Waarom rijdt u met uw lichten aan?’ ‘Omdat het bijna donker wordt.’ ‘Ah, maar hier rijden wij alleen met onze lichten aan, als er gevaar is.’ ‘Ok, sir, thank you.’ Huh?!

De eerste nacht in Nigeria kampeerden we bij de zoon van de koning van New Bussa en omstreken. Het was een tip, gelezen op een travellers website: ‘Je mag op het domein van de koning kamperen. Je moet toestemming vragen aan de kinderen van de koning. Vraag aan de poort waar je moet zijn.’ Dat deden we en zo belanden we bij zijn zoon, die woont op het domein van een guesthouse van de koning. Dat guesthouse is echter nogal vervallen en het toilet van de koning isvrij stoffig. Wij denken dat de koning wat krap bij kas zit. Hij had wel een lieve zoon. En weeral moesten we niets betalen. Nigeria is geweldig.

Vanuit Accra zijn wij dus in vijf dagen naar Abudja gereden. Ons kilometerrecord is verbroken! Van bij de koning tot in Abudja was ongeveer 500km. Wel eens een keertje leuk eigenlijk. Hier in Abudja hebben we veel geluk gehad. We hebben tegelijkertijd twee visums kunnen aanvragen, Niger en Kameroen, omdat we van Niger ons paspoort mochten bijhouden en dus kon dat naar Kameroen. Beiden woensdag aangevraagt, beiden vandaag vrijdag opgepikt. Nu hopen dat Flo en Sara hun visums vandaag gekregen hebben, dan zijn we morgen weer weg, richting zuiden, richting Calabar en dan…de gevreesde Mamféroad…




  • Comments(7)//www.tamtamafrikan.be/#post40

Green Turtle

GhanaPosted by veerle Wed, March 04, 2009 13:51:41
Kumasi viel eigenlijk heel goed mee. Ik vond het best wel een gezellige stad en niet druk, zoals iedereen zegt. Misschien omdat we Dakar meegemaakt hebben? Wat ons opviel, is dat we sinds Marokko niet meer zo’n westerse stad gezien hebben. Overal asfalt en vooral de bouwstijl is zo anders dan in Mali en Burkina, veel meer verdiepingen. Zelfs in de dorpen zijn de huizen compleet anders. Ghana was dan ook een Engelse kolonie en geen Franse. Omdat de jungle hier begint, loopt iedereen hier met een machete rond. Wel raar in het begin. Als ze willen, kunnen ze dus gemakkelijk ons hoofd afhakken. Maar geen nood, hoor, mamie en papie, want bushcampen wordt hier bijna onmogelijk door het dichte struikgewas. Je geraakt met de auto de weg amper af. De Ghanezen zijn op het eerste gezicht niet zo vriendelijk. Ze lachen niet en antwoorden stuurs. Daar komt echter verandering in als je elkaar wat langer kent, dan kan er al eens een grapje of een glimlach af. En als je zelf goedgezind goeiedag zegt, zijn ze toch altijd wel heel blij. Er heerst hier een hiërarchie, wat voornamelijk wil zeggen: rijk behandelt arm als vod en kaffert hen altijd uit. Zij gaan er dus automatisch vanuit dat de rijke blanke ook zo op hen neerkijkt, wat gelukkig meestal helemaal niet het geval is met reizigers.
Kumasi was dus best wel aangenaam. Toch bleven we er maar één nacht, omdat de kampplaats niet fantastisch was en omdat we snakten naar de beloftevolle ‘Green Turtle Lodge’ in Dixcove aan de zee.
Wij op weg, langs een pittoresk weggetje, dachten we. Schoon was het wel, maar vol potholes in de weg! Zouden we vandaag Green Turtle nog halen? We bereiken Agona Junction, nemen de weg naar Dixcove, in het stadje de piste naar de lodge, nog 10 km, nog een half uurtje en het is donker. Zal Green Turtle echt zo tof zijn? Het is riskie, want ièdereen onderweg sprak er superpositief over. Zullen onze verwachtingen niet te hoog zijn?

Net voor donker arriveren we. Een vriendelijke man heet ons welkom. We rijden binnen en voelen het onmiddellijk: we zijn aangekomen in het paradijs… na vijf maanden, na er al lang niet meer naar op zoek te zijn, hebben we het gevonden. Het is onbeschrijflijk! Of toch wel te beschrijven, maar nooit te voelen of te begrijpen, als je er niet bent. Ik zal mijn best doen. De zee, met wilde golven, leuk om in te spelen, niet mogelijk om te zwemmen, te veel onderstroom, prettig met een bodybord, niet echt goed voor surfers. Een wit strand met kokospalmbomen. Je plukt zelf je kokosnoot, kapt hem open, breekt je keukenmes (pas na 4 kokosnoten nvg) en smult heerlijk.
Een cocktailbar en restaurantje waar je voor geen geld kan drinken en eten, 3 euro voor een hoofdplat, 1 euro voor een cocktail, 2 euro voor een banaan met een half gesmolten hele chocoladereep er bovenop als dessert en ‘t is allemaal superlekker. Wil je liever zelf koken? Geen probleem! Je wandelt naar het vissersdorp, koopt er een dikke tonijn voor 1 euro of een vliegende vis, wikkelt hem met wat kruidjes in aluminiumfolie, gooit hem op het kampvuur, deelt met anderen en smult naar believen.

‘Green Turtle Lodge’ is een ecoproject. Alles is gemaakt uit natuurlijke materialen: de bar van een oude vissersboot, stoelen en tafels van bamboe en hout, douches van rotsstenen, wc’s van bamboe. De toiletten zijn trouwens zelf-composterend.
Er leven hier grote zeeschildpadden, een bedreigde diersoort. Green Turtle helpt ze een handje door de dorpelingen in te lichten over de bedreiging van verdwijning. Zij eten immers de dieren en de eieren. Zeeschildpadden komen na dertig jaar terug naar hun geboortestrand om zelf eieren te leggen. Nu is het die tijd van het jaar. We hebben het geluk gehad er één te zien. ‘s Avonds komen ze op het strand, graven een kuil, leggen 150 eieren, bedekken alles sierlijk met hun achterpoten, proberen hun tracks te verstoppen en duiken weer de zee in. Zo mooi om te zien!
Een deeltje van de opbrengsten van Green Turtle gaan naar een fonds om de zeeschildpadden te beschermen. Alle werknemers van de lodge zijn mensen van het dorpje hier. Ook weer een deel van de opbrengsten gaat naar dit dorp. Sommige reizigers hadden gezegd dat het wel basic is in Green Turtle, sommige mensen die hier in een hutje verblijven zeggen dit ook. Misschien is dat wel zo, maar eigenlijk vind ik totaal van niet! Voor ons is het pure luxe! Een proper toilet en wc, water, een gezellige bar… Het is hier zo heerlijk!!! Ghana heeft trouwens opvallend proper sanitair overal.
Tom en Jo, met de kleine Emily, een Engels koppel van onze leeftijd, met hun dochtertje van twee, zijn de eigenaars. Tom is altijd goedgezind, altijd in voor een babbeltje… hij heeft de tijd van zijn leven, op de plaats van zijn leven.

Het is hier dé plek om mensen te ontmoeten, zowel locals, als backpackers, als overlanders, als vrijwilligers, als…
De locals zijn de barmannen, de keukenprinsessen, de wasmadammen, de kuismeneren, de gidsen…, maar je kan ook even het dorp binnen wandelen, daar een apetich drinken en zo een klapke doen. Apetich is zelfgebrouwen palmwijn, een straf goedje. De mensen beweren dat het 80° is. Een Pool hier denkt van niet, misschien 40°. De mannen in het dorp beginnen ‘s morgens te drinken en zijn dus bijna heel de dag zat. Heel dat dorp loopt er met rooddoorlopen ogen rond. Het is een speciaal dorp, heel arm, een hechte gemeenschap, allemaal vissers. We proefden ook kanky, een soort puree van yam, gewikkeld in bananenbladeren en een pap, zoals havermoutse pap. Beide vonden we niet zo lekker. Het smaakte zurig, omdat ze het fermenteren. Weer een heel nieuwe ervaring dat dorp.

We ontmoetten hier ook veel toffe reizigers. Toen we aankwamen stonden Anthony en Nikki van Engeland hier al een week. Hij hyperkinetisch, altijd zijn auto aan het kuisen, zij genoot van een boek en het strand. Beiden waterratten, zeilers en surfers. Spijtig was haar surfbord gebroken nadat ze het had uitgeleend aan een Amerikaan. Een hele dag zijn Anthony en Nikki bezig geweest om het proberen te repareren, maar het was een grote krak, dus of het zal houden is nog af te wachten. Nikki was er het hart van in. Zij reizen nog tot Zimbabwe, waar Nikki geboren en opgegroeid is. Haar moeder woont er nog.
Jasper, een Hollander, doet hier vrijwilligerswerk, beweert dat ze in Nederland aan het terugkomen zijn van het alternatievere vernieuwde vrije onderwijs, dat ze terug meer richting het klassieke Belgische systeem willen. We wisselden boeken uit.
Robin, een Engelse, doet vrijwilligerswerk in Accra, vond het lesgeven aan gehandicapten niets voor haar, maar genoot van de woensdagen, waarop ze werkte met zwangere prostituees. We mogen misschien in haar tuin kamperen. Ze moest het nog even vragen aan haar huisbaas, een oude (40!) Nederlander.
Een Duits koppel, hij doet me aan de Jef denken, maar dan met rastas, zij is Burkinabé, een felle madam, ze hebben een huis in Tamale. Ze waren hier om zijn verjaardag te vieren, maar alles viel in het water toen ze hun autosleutel plots kwijt waren. De deur ging nog open, omdat het raam op een kier stond, maar ze konden dus niet starten. Een mechanicien haalde het slot eruit. De auto kon niet gestart worden met een schroevendraaier ofzo, want er is een elektronische code verbonden aan de sleutel. Het probleem van de auto’s vandaag de dag, zeker in Afrika, teveel elektronica. Zij met het slot naar Accra om een sleutel te laten bijmaken. Een week later zijn ze terug op weg naar Green Turtle, met iemand die een computer heeft om de code te breken, want een sleutel bijbestellen, zou een maand duren, ze moeten het opsturen van Korea. Op weg naar hier dus, krijgen ze telefoon van Green Turtle dat de sleutel gevonden is. De tuinman was aan het keren en stootte erop. Zij arriveerden dolgelukkig. Unfortunately moesten ze nog heel wat betalen aan de gast die meegekomen was met zijn computer, ook al heeft hij niets gedaan.
Roo, Australiër, vol tatoos, rijdt met een Land Rover Defender 130 pick up, wil deze auto in België verkopen, Unimog kopen en ermee naar Siberië rijden, oversteken naar Alaska en tot Patagonië gaan. (Rob, je gaat misschien nog een mailtje van hem krijgen en anders vind je hem op het LROC. nvg)
Mark, half Ghanees half Nederlander, komt zijn familie in Ghana bezoeken.
Matthew, vriend van Tom de eigenaar, komt zijn vriend bezoeken en afkikken van London, heeft voor de rest niets van Ghana gezien, is in Green Turtle gestrand.
Ina en Jeroen, veertigers, Nederlanders, overlanders, leerkrachten buitengewoon onderwijs. Ina lijkt me heel bedreven in het begeleiden van elk kind afzonderlijk. Jeroen is erg bezig met de evolutie van het onderwijs. Doet me denken aan jou een paar jaar geleden, pap. Ina vertelde dat België ver staat in verband met het begeleiden van kinderen met autisme. Leuk om te horen. We hebben enkele keren gezellig samen gegeten en natuurlijk veel tips uitgewisseld. Zij kwamen van Benin en Togo en zijn nu weer op weg naar huis.
Alex, een overjaarse hippie, Fransman, wordt binnenkort 50, heel lieve sociale man, altijd lichtjes in de wind, slaapt in zijn kleine tentje, heeft bijna geen bagage, zwemt in zijn onderbroek, is graatmager, gaat twee keer per dag naar het vissersdorp om een apetich te drinken en wat eten te kopen, leeft van de dauw, is altijd 6 maanden op reis, 6 maanden in Frankrijk, werkt in een park waar ze een speciaal ezelsras beschermen, is er gids.
En dan heb je Harm, Greg en Andrew, drie zotte gasten die stukken samen gereisd hebben, drie totaal verschillende karakters die het wel met elkaar kunnen vinden.
Harm, Nederlander van Scheveningen, surfer, viskenner, Robinson Croesoë in spe, moto gekocht in Mali, reist met tentje, kookt op een kampvuurtje, heeft 18 maanden, nog een lange weg te gaan, droomt ervan een hutje te bouwen op een ‘onbewoond’ eiland.
Greg, Pool, verdient zijn kost in Noorwegen, truckchauffeur, nooit thuis, man van extremen, altijd klaar voor een uitdaging, kan niet stilzitten, sportief, offroadfreak, vrouwenversierder, ook moto gekocht in Mali, gaat binnenkort naar huis. Hij plant reeds zijn volgende reis, naar Siberië met een Russische ingerichte truck. In de winter wil hij daar overleven in een verlaten dorp. Hij wil ook eens een keer de wereld rond reizen langs de evenaar. Je mag dan maximum 20 km langs elke kant gaan, eender wat je tegenkomt, moeras, water, jungle…
Andrew, Ier, bedeesd, rustig, take it easy, opgevoed met homeopathie en zonder vaccinaties, studeert iets met filosofie, psychologie en religie, heeft fiets gekocht in Mali, reist ook met tentje, slaapt veel, leest National Geographic.

Dat zijn onze vrienden hier. ‘t Is hier heerlijk! Eindelijk na vijf maanden kunnen we nog eens westers doen. Ik had het nodig. Het doet deugd. We zijn hier nu 12 dagen en besloten nog te blijven tot zondag, 16 dagen zal het dus worden. Dan zijn onze batterijen volledig opgeladen en gaan we recht naar tante Suzanne! Met nog een kleine stop in Cape Coast om daar een slavenkasteel te bezoeken en een grote stop in Accra, garagebezoek en visaformaliteiten.
Voor iedereen die er even tussenuit wil: ga naar Green Turtle! Een ticket naar Accra kost slechts 300 euro! Als je niet wil kamperen, moet je wel op voorhand reserveren, want alles zit altijd stampvol: www.greenturtlelodge.com Jurgen, een plek voor u, denk ik!

Ondertussen zijn we zaterdag. Ik schrijf nog even de laatste nieuwtjes:
Andrew heeft net twee nachten in het ziekenhuis doorgebracht, malaria, 40° koorts. Hij was een vod, maar is nu weer helemaal beter. Het schijnt dat ze hier in Afrika zeer goede medicatie hebben om malaria te genezen. In Europa is dit nog niet te verkrijgen, want dat duurt ongeveer 10 jaar voor een nieuw geneesmiddel bij ons op de markt mag komen.
We hebben opengebroken schildpadeieren gevonden en een uitgedroogd babyschildpadje, superklein, maar helemaal af. Tja, niet veel schildpadjes halen de zee. Spijtig!
Wat ik nog was vergeten te vertellen! Een projectje: Gert en ik hebben elkaars haar geknipt! ‘t Was dringend nodig, ziet ge. Ons haar was aan het uitdrogen. Een kapper die westers haar kan knippen, vind je in Afrika echter niet, dus hebben we de keukenschaar gepakt en zijn zelf aan de slag gegaan. Het resultaat is zeer ongelijk, maar daardoor eigenlijk wel plezant! ‘t Was grappig en spannend!
Morgen vertrekken we na het ontbijt. Alex gaat met ons mee tot Cape Coast. Overmorgen trekken Harm, Greg en Andrew ook verder. We hebben samen een heel leuke tijd beleefd in Green Turtle. Bedankt jongens en tot ziens, ergens in de wereld, maybe one day…








  • Comments(12)//www.tamtamafrikan.be/#post38

Van een mug een olifant maken

GhanaPosted by veerle Thu, February 12, 2009 19:02:27
De grensovergang was weer geen probleem. We belandden in het Engelstalige Ghana. Een hele aanpassing na vijf maanden Frans te spreken. Zelfs al bij de eerste politiepost merk je dat dit land een Britse kolonie was. Beter georganiseerd, meer regels, alvast op het eerste gezicht.
We bushcampen onze eerste nacht.
De volgende dag rijden we aan één stuk door richting Nationaal Park Mole. We zullen er net niet geraken voor donker en besluiten nog een nachtje te bushcampen. Dit was de slechtste beslissing ooit, of toch de slechtste plek ooit! We werden belaagd, overvallen, niet door rovers, maar door miljoenen kleine vliegen! Het was de hel! We hingen een muskietennet op, ze kropen erdoor! Het enige dat erop zat, was wachten tot zonsondergang. Op zo’n frustrerend moment duurt een uur lang, heel lang! Eindelijk waren ze weg, we konden relaxen. We vatten het plan op om ‘s morgens om zes uur op te staan, onmiddellijk te vertrekken en pas te ontbijten in Mole Park. Dat kon immers niet ver meer zijn. Als we ‘s ochtends wakker werden, hoorden we de bastards al. Gelukkig zaten ze nog in de bushkes. Wij snel weg! Om zeven uur waren we al in Mole.

Daar ontmoeten we drie andere overlanders, die spijtig genoeg, net gingen vertrekken. We praten toch nog gezellig bij een tas koffie en wisselen allerhande tips uit. Zij vertrekken en wie komen er toe? Olifanten! Vier olifanten passeren langs de camping! Amazing natuurlijk! Wij gingen boven op de auto zitten, genieten en foto’s nemen.
De kampplaats is trouwens geweldig! De beste en properste douche sinds thuis! Wc’s en douches zijn afgesloten met hekwerk, zodat er geen dieren binnen kunnen. Er is zelfs een vuilbak! Lang geleden! Echt nodig is dat niet, want dagelijks passeert er een familie aardvarkens, die de vuilbak plundert. En het uitzicht! Het uitzicht over het woud is prachtig.
In de late namiddag maken we een safaritrip met een ranger in de auto. Twee uur en een half leidt hij ons rond. We zien veel verschillende soorten antilopen, waaronder het hartebeest (vind ik een grappige naam). Voor de rest in de verte een paar baboonen en mooi gekleurde vogels. Wat we ook van dichtbij mochten meemaken, tot vervelends toe, was de tsetsevlieg. Eerst moesten we de ramen dichtdoen van de ranger, maar na een paar minuutjes, toen hij merkte dat we geen airco hadden, gingen ze snel weer open! Ge zweet u hier immers te pletter. Zo raar, maar van het ogenblik dat we de grens met Ghana overreden, veranderde het klimaat. Het is hier vochtiger, warmer en dus meer zweten! Het is hier pokkeheet en het warmste moet nog komen! Ik weet niet of we dat overleven! Ge kunt u inbeelden, ik die het te warm vind, dan moet het echt wel warm zijn! Gert is blij dat hij niet de enige is die afziet. We begrijpen nu ook compleet het Afrikaanse ritme. Het is gewoon onmogelijk om druk bezig te zijn! Ik zit nu gewoon op een stoel en ik zweet.
De ranger wist wel wat af van insecten, dus ik vuurde een paar vragen op hem af. Sinds de laatste bushcamp sta ik immers boordevol beten, precies de mazelen, ook al had ik me ingesmeerd en alles! Ik vroeg achter vliegen, vlooien, termieten en muggen. Hij stelde me gerust, de beesjes die ik beschreef, waren niet gevaarlijk, alleen lastig.
De ranger stak ook een stuk bos in de fik. Het is te zeggen, het lange droge gras. Dat doen ze systematisch elk jaar. Zo kan er nieuw gras groeien en blijven de dieren in het park. Raar, maar de bomen branden niet mee op, enkel vanonder een beetje.
Op het einde van onze safaritocht rammelde de ranger een tekstje af, precies of hij praatte tegen een groep. ‘Dit is het einde van de toer. Bedankt voor uw aandacht. U hebt geluk gehad, want u hebt bijna alle dieren van het park gezien. Terug in het kamp betaalt u volgens het aantal uren en je geeft de ranger een tip van minimum 5 cedis.’ Alle dieren, hm, buiten de olifant, de leeuw en het luipaard gerekend dan. Een tip van 5 cedis? Het is 0,75 cedis per uur per persoon, dus 4,50 in totaal. De tip zou dus meer zijn, dan de tocht????? In het bureautje handelen we de officiële prijs af. Ik ben zo gemeen om in het bijzijn van de secretaresse te vragen aan de ranger hoeveel hij ook al weer vroeg als tip. De man was beschaamd en mompelde iets van als je mij een tip wil geven, mag dat, als je dat wil. De dame lachte en zei: ’Je mag geven wat je wil!’ Buiten gaven we hem de 5 cedis en zeiden dat we het veel vonden.
‘s Avonds kwam hij langs om uit te leggen waarom 5 cedis niet teveel is: Hij zou ons beschermen tegen de wilde dieren ‘s nachts. Hij had het licht op de camping al speciaal voor ons aangestoken. Hij riskeerde immers zijn leven voor ons. Yeah, yeah, right. Wij deden ook ons verhaal, van financieel uitgemergelde blanken, en dat ze de risicofactor dan maar in de prijs moeten incalculeren, maar niet altijd achteraf er mee moeten komen aandraven. Je denkt dan: ’Oh, ‘t is hier goedkoop! Niet dus!’ We hadden een hevige discussie. De ranger vond mij nog sympathiek, maar Gert vond hij een kwaaie. Ik verdedigde natuurlijke Gert. Wij dachten er immers hetzelfde over. Na veel gepalaver schudde we elkaar de hand en vertrok hij. We hebben hem nooit meer gezien. Verdedigen? Waar was hij dan als die baboonen kwamen?
De volgende dag kregen we ‘s morgens bezoek van kleine apen. We lagen nog in de tent. De apen passeerden. Die middag echter kwam er een familie baboonen de vuilbak plunderen. De man die de camping schoon houdt (doet hij trouwens excellent!) kwam rustig langs en de apen gingen er vandoor.
Veel hebben we die dag niet gedaan. Uit geldprincipe deden we niet nog eens een safaritocht. We waren er ook niet echt voor in de mood. We waren lam door de hitte. Op de koop toe zag ik erg af van de beten die ik had. Enkele kanjers, allergische reactie.
Onze laatste ochtend wilden we snel vertrekken. Dat werd verhinderd door tientallen baboons! We konden niet ontbijten! Het was Gert tegen de baboonbaas. Met zo’n gast valt niet te lachen. Hij sprong op de auto en zijn arm stak al door het open raampje. Met een tentstok verdedigde Gert ons territorium. De baboonbaas ging tegenover ons zitten, zodat alle vrouwtjes en kleintjes veilig konden passeren. Je weet immers maar nooit met die toubabs! Op den duur zat de kampplaats vol apen! We wisten niet wat gedaan! Tot gelukkig de onderhoudsman weer verscheen. Van hem hebben ze bang en dan druipen ze af. Het was angstaanjagend, maar ook wel mooi om te zien. Veel kleine aapjes die spelen en stoeien of op moeders rug zitten. Heel erg mooi, maar spijtig genoeg zijn alle foto’s mislukt. In de drukte vergeten fototoestel juist in te stellen.

Genoeg apen en rangers, de volgende dag rijden we naar een stadje Nkorenza. Wat is daar te zien? Niets eigenlijk, behalve dan een project voor mentaal gehadicapten, gerund door een Nederlandse dokter, waar ook een guesthouse aan verbonden is. Lijkt ons tof om langs te gaan.
Hier zitten we dan nu. Het project zit fantastisch in elkaar. Er verblijven hier 52 gehandicapte kinderen en volwassenen. Sommige gaan naar school in een speciale school naast het domein. Anderen doen workshops in de dag, zoals weven of parels rijgen. Weer anderen blijven in het dagcentrum. Er zijn 25 begeleiders. Zij wonen allemaal op het domein en zorgen ‘s nachts voor enkele gehandicapten in hun huisje. Begeleider zijn hier, is dus een job van 24 op 24. Onvoorstelbaar knap vind ik! Ik zou het niet kunnen. Het domein is heel gezellig ingericht. Kleine huisjes rond een grote tuin, een speelruimte, een knuffelruimte, een TV ruimte, een zwembad enz. De guesthouse zijn kleine gezellige bungalowtjes. Wij kamperen in onze tent op het grasplein. Wel druk, niet echt ideale plek. Vooral ‘s morgens. Dan is het ochtendwandeling en werden we dus wakker van mensen die toertjes wandelen rond het grasplein op het weggetje dat vlak voor onze tent passeert.
Het project zit knap in elkaar, maar ik voel me hier een beetje een buitenstaander. De meeste blanken doen hier vrijwilligerswerk, wij zijn maar bezoekers, pottekijkers, zo voel ik het aan. Er is iets geknapt in mij, de moment dat we aankwamen. We waren moe en bezweet. Een blanke man zei vriendelijk goededag. Er zat nog een blanke vrouw bij en enkele Afrikanen. Ik vroeg aan de blanken: ‘Are you the doctor?’ De vrouw antwoordt heel onvriendelijk en geïrriteerd: ‘Euh ja, maar wij zijn wel in meeting!’ Ik draai me om en ben weg. Het is vijf maanden geleden, dat ik dit nog meegemaakt heb. Ik ben achterovergeslagen. Ik had me een vriendelijke dokter voorgesteld en een warm onthaal. Dat viel tegen. Gelukkig nam Charity ons onder haar vleugels. Zij staat in voor de guesthouse en bijhorend restaurantje en ze doet dat fantastisch.
Al bij al, een fantastisch project, maar als toerist voel ik me hier niet echt op mijn gemak. Voor wie vrijwilligerswerk zoekt en graag met mentaal gehandicapten werkt is dit the place to be. Neem dan zeker eens een kijkje op de website www.operationhandinhand.nl

Morgen trekken we naar Kumasi. Het schijnt een drukke stad te zijn, enkel goed voor inkopen en internet. We zullen zien. We kijken in elk geval erg uit naar ‘Green Turtle’ aan de kust. Dé plaats voor overlanders. Iédereen spreekt er positief over. Het zou er eenvoudig zijn, goedkoop en gezellig.


  • Comments(9)//www.tamtamafrikan.be/#post37

Voetbal en speurtocht

Burkina FasoPosted by veerle Thu, February 05, 2009 23:43:23
Vertrokken in Nouna, maar eerst nog feest natuurlijk! Onze laatste avond nodigden we onze vrienden uit om nog eens gezellig samen te tafelen. Suzanna had zelfs keilekkere wijn bij! Alsof dat nog niet genoeg was, is iedereen ons nog komen uitwuiven ‘s morgens ook! In België zou niemand daar tijd voor hebben. Blank of zwart, in Nouna is iedereen al een beetje Afrikaan geworden! De kolonel had zelfs een cadeautje bij, een houten plaat met daarop de kaart van Burkina gebrand en daarin enkele wilde dieren. Zijn broer had dit gemaakt. Viviane kwam tijdens haar voormiddagpauze op school zelfs nog even langs en moest een traan wegpinken. We zijn hier maar anderhalve week geweest en zo’n afscheid. Het is onvoorstelbaar. We zullen jullie missen! Bedankt allemaal!
Op naar de grote stad Ouagadougou. Hier moeten we zijn om ons visum voor Ghana aan te vragen, stok in te slaan in de Marina Supermarket en de OK Inn te inspecteren. De OK Inn is een chique hotel waar je als overlander gratis mag kamperen op de parking, gebruik maken van het zwembad en als je iets drinkt in de bar is er wifi. Alle overlanders praten erover, dus dat moeten we even controleren. Zo gezegd, zo gedaan, het klopt allemaal als een bus. En wat hebben wij in de bar gedronken? Een cocktail, mmmm!

Voor het weekend, wachtend op ons visum, trekken we toch naar Bazoulé, een dorpje, enkele kilometers buiten Ouaga, ons aangeraden door Renée. Ze hebben daar een meer met heilige krokodillen en één kampement. De patron van het kampement was ontzettend vriendelijk. We mochten zonder probleem kamperen en koken enzo. ‘Hoeveel is het per nacht?’ Een verbaasde blik, discussie met enkele anderen die er werken in hun taal… ‘Goh, eigenlijk gebruiken jullie niets van ons, goh, als jullie vertrekken, kan je misschien een kleine bijdrage geven voor het dorp, wat je wil… is dat goed?...’ Hoor ik dat nu goed? Weeral een plek waar ze geen geld uit je zakken kloppen? Burkina is fantastisch! De patron kende ook nog Renée en haar familie, er werden handen geschud, gelachen en het ijs was gebroken.
Het viel op hoe goed die gemeenschapskas van het dorp hier werkt. Het geld van het meer (gids en kip om te offeren), het kampement en de artisanat die verkocht worden, gaat allemaal in de dorpskas. Met dit geld zijn bijvoorbeeld een jeugdhuis, mooie winkeltjes en ateliers voor de artisanat gebouwd. In die ateliers kunnen de jongeren na school workshops volgen om zelf de stiel te leren: bronzen beeldjes maken, houtbewerking of batikken. Medunkt zijn er veel geboren kunstenaars in Bazoulé, want ze maken er echt prachtige dingen. In het kampement staan stenen banken in de vorm van dieren en het jeugdhuis is ook supertof versierd. Beiden door dezelfde kunstenaar. Deze gemeenschapskas maakt het ook veel aangenamer voor de toerist. De mensen moeten niet hun eigen kost verdienen, dus niemand die u lastig valt en omdat het zo mooi gepresenteerd is en niemand opdringerig doet, is het een plezier om rond te kijken in de winkeltjes. Je krijgt ook uitvoerig uitleg in de ateliers. Gevolg: je koopt iets van harte! Ze vragen vrij correcte prijzen. Iedereen tevreden! Het werkt daar echt. Op veel plaatsen kunnen ze nog iets leren van Bazoulé!
Als wij normale toeristen zouden geweest zijn, zouden we dus een kip gekocht hebben en die dan aan de krokodillen gevoerd hebben, om een foto te hebben met onszelf en de krok en de dode kip. Maar vermits wij nu eenmaal niet normaal zijn, kozen wij ervoor om naar de voetbal te gaan. Een kip kopen voor oververzadigde krokodillen, in een dorp waar de mensen elke maaltijd tô eten, vonden wij zowieso al maar raar. Nu was er toevallig zondagnamiddag match tussen Bazoulé en een ander dorp. De twee chiefs hadden dit georganiseerd om de jeugd te motiveren, nuttig bezig te houden. Een hele gebeurtenis in zo’n klein dorp! En voor ons ook weer een toffe ervaring! Twee dorpen verzameld, de leraar van Bazoulé die de organisatie op zich neemt, de geluidsinstalatie van het jeugdhuis, twee echte voetbalcommentators, de chiefs en oude wijzen in traditionele klederdracht en met zwaard in een huls met flosj, sommigen wel met wollen muts of sjaal en kapotte sokken, een man op een paard die kunstjes vertoond, een echte voetbalbeker, een défilé van alle voetbalploegjes, hun naam geschreven op een kartonnetje en bevestigd op een stokje, de twee échte ploegen, per ploeg dezelfde truitjes, verschillende broekjes en sokken, velen met watersandalen, scheidsrechters, publiek dat in de bomen hangt, een bal, een stoffig veld en de match kan beginnen. Passen geven, dat kennen ze hier niet, maar ambiance verzekerd. Wij mochten natuurlijk weer op een stoel zitten, maar op den duur zaten de mensen die achter ons stonden zo goed als in onze nek. Bij de rust stormden de kinderen op het veld. Uiteindelijk was het nul-nul, iedereen blij, snel naar huis, voor den donkere.
Op een nacht hoorden we drie geluiden, zoals kanonschoten. De volgende dag vroegen we aan de patron wat dat was. ‘Omdat er iemand gestorven is,’ zei hij, ‘Je moet geen schrik hebben hier, hoor! Ik slaap naast jullie, hier in het huisje!’ Sindsdien stelde hij ons elke avond gerust.
Dag Bazoulé! Mercikes en doe zo voort!

Terug naar Ouaga, visum ophalen en dan naar Koupéla voor onze nieuwe missie. De missie: zoek Raki, 11 jaar, plan kind van Hedwig, geef een cadeautje af. Gegevens: woont in het dorp Guirgo, in de provincie Kouritenga, hoofdstad Koupéla, vader heet Salfo, moeder Salamate. Een kolfje naar onze hand!
Als uitvalsbasis nemen we Koupéla. Staat niet in de reisgidsen, dus waar kunnen we slapen? Een auto achter ons claxoneert, een Belg, zijn vrouw wijst ons de weg naar ‘la mission catholique’, bij de nonnen dus. Ze hebben een heel grote tuin met lekker veel schaduw. De hoofdzuster is gereserveerd, maar we mogen er gratis kamperen! Sympathieke nonnekes in Koupéla!
‘s Ochtends gaat Gert brood kopen en vraagt even rond naar het dorp Guirgo. Een oude man weet het zijn. ‘Het is niet zo ver. Ga naar Pouytenga en vraag het daar nog eens. Daar is het enkele kilometers de brousse in. Heb je een fiets?’ vraagt hij bezorgd. ‘Nee, maar wel een auto?’ De man moet lachen: ‘Geen probleem!’
We gaan nog even langs de markt om een mooie pagne (=Afrikaanse rok) te kopen voor Raki en ineens ene voor mij, want mijn broeken zijn aan het verslijten. In Pouytenga aangekomen, spreken we een groepje mannen aan. ‘Het dorp Guirgo?’ Eén man, Dieudonné, weet met zekerheid de weg. Het blijkt echter onmogelijk uit te leggen, te ingewikkeld. ‘Heb je tijd? Wil je met ons meegaan? Daarna komen we terug naar hier.’ Tijd had hij wel, maar zin precies niet. Zijn jongere cousin moest maar meegaan. Die wou wel, maar kende eigenlijk toch niet zo goed de weg. ‘Kunnen we alletwee mee?’ ‘Nee, we hebben maar één extra zitplaats.’ ‘Mmm, ok, ik zal wel meegaan.’ Dieudonné was serieus, nogal stil, maar wees goed de weg. Al snel werd duidelijk waarom je moeilijk de weg kon uitleggen: kronkelweggetjes tussen de akkers, niet gemaakt voor een auto! Een dorp kan je Guirgo niet echt noemen, eerder een gebied met hier en daar een paar nederzettingetjes van families. Dieudonné vraagt rond naar Salfo en Salamate. Vrij snel vinden we ze. Hilariteit op het erf natuurlijk. De buren komen af, de moeder is dolblij, Raki wordt in allerijl per fiets van school gehaald. De vader bekijkt alles vanop een afstand. Raki is heel serieus, heel beleefd. We geven de pagne af in naam van Hedwig. Prompt krijgen we een geweven doek mee, voor Hedwig. Weer typisch voor hier: die doek is eigenlijk veel meer waard dan die pagne!
‘Als we geweten hadden dat jullie kwamen, hadden we iets klaargemaakt,’ zei de moeder, ‘Jullie hebben zoveel moeite gedaan om tot hier te komen!
Ongelooflijk! Bedankt!’ Ach, dat valt wel mee. Dieudonné vertaalt telkens. Hij begint er plezier in te krijgen, lacht al eens en wordt wat losser. ‘Le maître a demandé pour vous, à l’école,’ zei Raki. ‘Dieudonné, heb jij nog tijd?’ Hij moet altijd lachen als we dat vragen. Hij heeft alle tijd. Naar de school. Het is middagpauze. Fier troont Raki ons mee naar de leerkrachten. Daar worden we op een stoel gezet vooraan in de klas. Alle ogen van de leerkrachten en het oudercomité op ons gericht. Stilte. ‘Euh, iemand had naar ons gevraagd?’ ‘Ah ja, gewoon, dan kan je de school eens zien. Er is een oudercomité en een leerlingenraad.’ ‘Amaai, tof!’ Buiten aan de ramen en de deuren, honderde nieuwsgierige gezichtjes. De leraren zeggen dat ze moeten weggaan. Ze luisteren niet. Dan gaat één leerkracht naar buiten en dreigt met iets. Ik weet niet wat, vraag het mij wel af, want het werkte onmiddellijk!
We brengen Raki en haar zus terug naar huis. ‘We komen nog even dag zeggen.’ Dat apprecieerde de moeder weer enorm. En ja, hoor, ook de vader kwam nu een beetje los. Hij vroeg een foto te nemen van hem als hij aan het werk was. Hij is namelijk smid. Fier poseerde hij.
‘Dag iedereen! Bedankt!’ ‘Nee, jullie bedankt!’ ‘Nee, jullie…’ ‘Nee…’ ‘Daaaag!’
‘De mensen waren echt content, hé,’ zegt Dieudonné.
Terug in Pouytenga, nodigen we Dieudonné uit om samen met ons te eten. Zijn neef nodigt zichzelf uit. We bestellen kip en frisdrank. Feest dus. Dieudonné straalde helemaal toen Gert vertelde: ‘We stapten uit in Pouytenga en keken eens rond. We zagen jou en dachten: dat ziet er ‘un homme sérieux’ uit!’ Het is hier immers een groot compliment als ze je ‘serieus’ noemen.
Na het eten nemen we afscheid. Iedereen weeral eens tevreden.

Wij rijden terug richting Ouaga. Onderweg hadden we een plakkaat gezien van een kampement. We rijden er naartoe. Blijkt het een superchique jagerskampement te zijn, 50 000 CFA voor een kamer, 5000 CFA om te kamperen. De man toont ons het zwembad en de bar en wij zeggen: ‘5000 CFA, dat is teveel voor ons.’ Normaal is het immers 3000 CFA in Burkina. De man wist niet wat hij hoorde. Hij is duidelijk andere blanken gewoon.
Wij duiken de brousse in. Bushcampen, ik heb er eigenlijk geen schrik meer van. Die enkele herders en dorpelingen laten u altijd met rust en doen dus zeker geen kwaad.
‘s Anderendaags belanden we terug in de OK Inn. Daar zitten we dan nu, aan het zwembad, net een lekkere fruitsla gegeten en een gigantische portie frieten met mosterd en ketchup.
Het plan is om morgen of overmorgen naar Ghana af te zakken. Via de grensovergang in Léo, langs de westkant willen we richting kust rijden. Volgens Nicolas is dit de mooiste weg en rustig, want weinig toeristen en weinig politiecontroles.

  • Comments(8)//www.tamtamafrikan.be/#post36

Nouna

Burkina FasoPosted by veerle Tue, January 27, 2009 15:39:59
Vanuit Bankas in Mali zijn we weer de grens overgestoken met Burkina Faso, probleemloos. Daar kunnen ze in Senegal nog iets van leren! We hebben de nacht doorgebracht te Ouahigouya in Hotel Liberté. Het leuke hier was dat er eindelijk nog eens een vrouw ons onthaalde, Abi, een keitoffe madam. Meestal worden de kampementen uitgebaat door mannen.
In Ouahigouya zijn we op zoek gegaan naar een internetcafé. We vonden er drie, allemaal superfancy, maar nergens mochten we onze eigen computer aansluiten. De eerste keer dat we dit meemaken in Afrika!
Ouahigouya is trouwens een leuk, rustig stadje. Dat wil voor ons dus zeggen: geen verkopers en gidsen. We kunnen er gezellig rondwandelen en de mensen doen normaal tegen ons. Behalve ene gast! Hij had acht maanden in Segou in Mali gewoond. Tja, dan weet ge genoeg. Van ver al: ‘Ah, le couple heureux!’ Zuiver ‘pour l’amitié’ wou hij met ons meewandelen naar het internetcafé. Na enkele minuten: ‘Het internet moet je altijd per uur betalen, een héél uur! Mag ik dan niet een paar minuutjes?’ Ik heb gedaan of ik hem niet verstond. Nog wat later: ‘Zal ik jullie nadien laten zien welke spulletjes ik verkoop?’ Gert en ik in koor: ‘Ah nee, hé! Je had gezegd puur ‘pour l’amitié’!’ Me alle Chinezen, mor nie me den deze! Enfin, na een hele tijd, toen hij doorhad dat er echt niets te rapen viel, is hij maar vertrokken. Hij werd moe van al dat stappen, zei hij.
Tot zover ons korte bezoek aan Ouahigouya. We belden Jonas op en reden richting Nouna.

Jonas hebben we leren kennen een week voor ons vertrek. Hij was ook op het jaarlijkse feestje van Poco a poco. Hij gaf zijn telefoonnummer in Burkina en zei dat we altijd mochten langskomen. Dat moet je ons geen tweede keer zeggen! Ondertussen weten we immers al dat de ideale manier om een plaats en zijn mensen te leren kennen, is via een Vlaming die er woont.
Jonas geeft hier een paar uur wiskunde in een technische school om een beetje te verdienen, maar zijn hoofddoel is zelf enkele kleinschalige projecten realiseren, stap voor stap, met steun van Afrant (Afrika-Antwepen). Zo heeft hij onder andere een lasatelier gebouwd voor Innocent Mossé. Daar zijn nu drie jongens in de leer. Ze krijgen er een degelijke opleiding, mogen werken met goed materiaal en er wordt ‘s middags voor hen gekookt door de vrouw van Innocent. Jonas geeft zelfs Franse les aan één van de gasten.
Het volgende project waar hij van droomt (maar het zullen geen dromen blijven!), is een foyer (internaat-studiekamer) bouwen voor jongens van de middelbare school. De foyer die er is, is immers totaal overbevolkt en aldus geen goede plek om te studeren. De meeste leerlingen komen van ver om naar school te gaan, vandaar dat een internaat nodig is.
Dit zijn slechts twee projecten van Jonas, maar hij heeft al veel meer gedaan en heeft nog veel meer ideeën ook. Wie geïnteresseerd is, kan een kijkje nemen op zijn website www.jonasinnouna.blogspot.com.
En wij? Wij logeren in zijnen hof en vinden het hier geweldig. ‘t Is hier supertof, de max, rustig, al wat ge maar wilt! Geen mythe over goud, niks legendarisch, geen heldhaftige ontdekkingsreizigers…Nouna, een vergeten stadje in Burkina, vergeten door de regering en door de toerist…maar voor ons is dit de gouden stad…
De instructies van Jonas waren: Aan hèt rond punt van Nouna, neem je de weg naar Djibasso en vraag je naar het lasatelier van Innocent Mossé. Dat deden we en we werden fantastisch ontvangen door Innocent en zijn vrouw, Brigitte. Jonas werd verwittigd, we kregen lekker eten en het voelde goed!

Ik vertelde Innocent dat ik nieuwsgierig was naar hoe ze nu eigenlijk die lemen stenen maken. Langs de weg zien we bij elk dorp een plek waar ze die stenen maken, maar nog nooit hebben we het van dichtbij kunnen zien. Hop, de volgende dag nam Innocent ons mee naar een stenenmaker die hij kende. Aarde, water, gedroogd gras en een houten gietvorm. Dat is alles wat je nodig hebt. Je moet natuurlijk wel de goeie mengeling kunnen maken. Ook daar waren jongens in de leer en je zag echt het verschil met de ervaren patron.

In de namiddag werden we getrakteerd op een andere unieke ervaring. Jonas nam ons mee naar het dorp Gouni. Daar trad een lokale theatergroep op waar Jonas mee samenwerkt. In februari plannen ze een educatief stuk, nu was het louter voor het plezier. Het was dan ook gieren! De humor was supereenvoudig, een blinde die ergens tegenloopt bijvoorbeeld, maar heel het dorp lag plat van het lachen. Toch super, zo hadden die mensen ook weeral een leuke namiddag. Er werd ook gedanst en muziek gespeeld. De blanken moesten natuurlijk op een stoel gaan zitten. Het deed mij aan India denken. Wat me nog eens extra opviel, als je zo heel het dorp samen ziet, is het enorme kinderaantal. Onvoorstelbaar, gewoonweg teveel! Misschien wel 2/3 van het dorp. Na de voorstelling kregen we nog eten ook, van de vrouw van de voorzitter van de groep. Het was keileuk!
De weg ernaartoe en terug was al even bijzonder. Het dorp ligt 22 km van Nouna. Eerst nog goeie piste, daarna kronkelweggetjes. Weggetjes waar zelden of nooit een auto passeert. De mensen keken dan ook verschrikt naar het witte monster, vielen van hun fiets, lieten hun fiets vallen en renden de struiken in… Een oude vrouw hoorde de motor, ze stopte, maar keek niet achterom. We konden niet door. Zij dacht immers dat er een brommer ging passeren. Zij wachtte, wij wachtten, tot ze achterom keek. Het menske wist niet wat ze zag! ‘t Was maf, ‘t was tof, ‘t was een ervaring.

Die dag hebben we ook Carolin en Jana leren kennen. Beiden werken hier tijdelijk in het researchcentrum voor aids. Carolin beëindigt volgende week haar vijf maanden hier en Jana begint net. Carolin is 18, staat open voor de wereld en is ontzettend lief! Jana is gyneacologe, heeft al een ontzettend lange buitenlandse cv (knap, amaai!) en geraakt snel gefrustreerd door het Afrikaanse werkritme.
We spreken af om de volgende dag ‘s avonds samen te koken bij hen thuis. Het is te zeggen, we hebben allemaal samen groentjes gesneden en Gert heeft tagine klaargemaakt.

De volgende dag werden we ‘s middags uitgenodigd bij de ‘kolonel’. ‘t Is genen echte kolonel, maar een spelletje tussen Jonas en enkele vrienden. Eigenlijk heet de man Eli en is hij sportleraar. Maar wat veel typerender is voor hem, hij is een revolutionair in hart en nieren! Hij kijkt op naar Ché Guevara, Fidel Castro en vooral Thomas Sankara. Deze laatste was een groot revolutionair in Burkina in de jaren tachtig. Helaas is hij natuurlijk weer eens vermoord. Bij Eli aten we pasta en zagen we een documentaire over Sanka.
Een historische noot voor de liefhebbers:
Thomas Sankara pleegde een staatsgreep in 1982. Hij is vermoord in 1987 door de puppets van de huidige president, Blaise Compaoré. Dit wordt uiteraard stilgezwegen!
Thomas Sankara was de Ché Guevara van West-Afrika. De Renault 5s werd de officiële auto van de president en zijn ministers. Het salaris van de regering werd verminderd met 25%. Sommige regeringsleden werden in 1985 weggestuurd om te gaan werken op het platteland. Op 15 dagen tijd werd 60% van de kinderen gevaccineerd tegen mazelen, hersenvliesontsteking en gele koorts. Unicef noemde het één van de grootste successen ooit in Afrika. In elk dorp kregen een paar mensen een medische opleiding. Op drie jaar tijd werden meer dan 350 scholen gebouwd met eigen mankracht in de dorpen.
Uiteraard konden de rijken met heel deze situatie niet lachen!


Nu we de kolonel hadden leren kennen, moesten we zeker ook de chef d’état major ontmoeten, Suzanna, een temperamentvolle Italiaanse, die zeker in is voor een revolutieke. ‘s Avonds zijn we dus pasta gaan eten bij Suzannah. Toen ze hoorde dat wij Carcassonne bij hadden, spraken we onmiddellijk af voor de volgende avond. Caroline en Jana werden ook verwittigd.
Spijtig zou die avond voor mij niet doorgaan. ‘s Nachts ziek geworden, weer die buik. Tweede keer op deze reis en twee keer in Burkina. Dankzij het wondermiddeltje Tea Tree was ik er na een dag vanaf. Gert is natuurlijk wel gegaan, een avondje Carcassonne slaat hij niet af!

De volgende avond waren we uitgenodigd door Christophe, een vriend van Jonas om tô te gaan eten. Tô is het belangrijkste basisvoedsel hier. Het is een soort solide pap gemaakt van maïsmeel. Men eet het met verschillende soorten sauzen. In Pays Dogon hadden we dit al eens geproefd en ‘t was niet veel soeps. Ik was wel al veel beter die dag, maar ik riskeerde het toch nog niet om al op een ander te gaan eten, dus ging Jonas samen met Gert.
Ik zakte al af richting Carolin waar deze avond de revenchematch van Carcassonne zou gespeeld worden.

Op vrijdag en zaterdagochtend is het druk in onzen hof bij Jonas. De leerlingen van het vierde middelbaar maçonerie hebben dan praktijkles. Ze zijn hier een huis aan het bouwen. De school heeft een aantal huizen in eigendom waar leerkrachten in mogen wonen, zoals het huis van Jonas. Dat noem ik nog eens ervaringsgericht! Maar dus vanaf acht uur is het hier een drukke bedoening rond onze tent. De eerste dag veel bekijks en enige stoerdoenerij, maar de tweede dag was het nieuwe er al af en konden we normaal doen tegen elkaar. Terwijl die gasten aan het metsen waren, was Gert aan de auto aan het werken en ik de was aan het doen. Zo had ieder zijn bezigheid en dat apreciëren de mensen hier wel.
Ik geraak aan de praat met enkele vrouwelijke metsers. Eén van hen, Viviane, stelt voor om me zondag te leren tô maken. Tof, ok afspraak zondag!

‘s Avonds komt de buurjongen, heel timide, naar ons. Hij geeft ons een brief, waarin hij vraagt of wij zijn deuxième père et mère willen zijn. Ik heb gezegd dat hij een goeie vader heeft, dus dat dat niet nodig is. Het was echt zo’n typische brief vol lof, over amitié et tout ça. Jonas vertelde dat al die gasten dolgraag een correspondent willen hebben.

De volgende avond mochten we mee met Jonas naar de nieuwjaarsreceptie van de leerkrachten. Deze had plaats in een soort danscafé, ‘Le refuge’. Iedereen mag iets kiezen om te drinken, de directeur houdt een speech en schol. Vervolgens krijgen we lekker eten. Dan krijgt iedereen nog eens hetzelfde drankje en dan gaat iedereen naar huis. Wel anders dan een nieuwjaarsreceptie bij ons! Eigenlijk zijn wij toch echt wel plakkers en nachtraven! Een danscafé hier heeft een kiosk in het midden, dat is de dansvloer en rondom staan er tafeltjes. Uiteraard is er ook een dj, maar die zette de muziek loeihard! ‘t Was gezellig, spijtig dat er niemand begon te dansen, want ik had anders wel zin om een voetje te verzetten.

Zondag was het zover, Viviane ging komen om me te leren tô maken. ‘Dan kan je die maken voor je man’, zei ze, ‘Of eet meneer niet graag tô?’ ‘Jawel, geen probleem,’ zei Gert.
Eerst gingen we naar de markt om ingrediënten te kopen voor de saus. Op de weg heen en terug moesten we natuurlijk ook even bij al haar tantes en nonkels bonjour gaan zeggen.
De kookles was superleuk! Viviane is een goede lerares. Eerst deed ze het voor, dan was het aan mij en dan moest ik herhalen wat we hadden gedaan! En mijne man? Die nam foto’s. ‘t Was echt gezellig. Soms moest Viviane wel hard lachen met mij, bijvoorbeeld hoe ik in de pot roerde. Tja, ik ben dan ook maar een toubab, hé. Op een bepaald moment vroeg Viviane zout. We gaven haar ons zoutvatje. Dat vond ze maar niks. We geven haar onze zak met reservezout. Ah, dat was handiger!
Samen met Jonas hebben we de tô lekker opgesmikkeld, om daarna allen af te wassen. Dat was weer een openbaring voor Viviane. De mannen die mee hielpen afdrogen! Gert steeg elke minuut in haar achting. ‘Vous avez un très bon marie!’ ‘Oui, ça c’est vrai.’ Mannen moeten toch weinig doen om respect te krijgen, zenne!
Na de afwas ging ik mee naar Vivianes huis. Daar zou haar grote zus me leren sesamkoekjes maken. Gert ging niet mee. Nu was het dus echt vrouwen onder elkaar. De zus, Marina, was een heel aangename, vriendelijke, rustige madam. Spijtig genoeg was er ook een vriendin aanwezig, die zo zot was als een achterdeur. Haar mond stond niet stil en wat er dan nog uitkwam. Ze wou voortdurend op de foto staan, maar trok dan altijd onnozele gezichten, net als een klein kind. Ze kloeg steen en been over allerlei kwaaltjes, omdat Marina verpleegster is en om zielig te doen tegenover mij, de blanke die nooit iets mankeert. Ze liet een plekje op haar been zien met gesprongen adertjes. Ik zei dat ik dat ook had. ‘Laten zien!’ ‘Nee, ik ga hier niet mijn broek afsteken!’ ‘Allée, we zijn hier toch onder vrouwen!’ ‘Nee en daarmee basta!’ Dan begon ze over hoe gemakkelijk bevallen voor de blanken wel is. Ze beweerde dat alle bevallingen bij ons keizersnedes zijn en dat de blanke vrouw dus niets afziet. Ik schoot in de lach en zei dat dat totaal niet waar is. ‘Jawel!’ ‘Maar nee, potdorie!’ Ik legde uit dat een keizersnede alleen gedaan wordt indien nodig. Wat later vroeg ze of ik niet één van haar kinderen wou hebben. En dan of ik hun school niet wou betalen. ‘t Was een straffe madam, Maryam. Gelukkig was ze zelf zo’n flapuit, dat het gemakkelijk was om telkens een stevig antwoord terug te geven. Marina, die zat er rustig bij en zei af en toe tegen mij dat ik niet naar Maryam haar geraaskalk moest luisteren.
Ondertussen maakten wij dus sesamkoekjes. Kei lekker en kei gemakkelijk om te maken! Leuk om met kinderen te doen, alleen is de substantie die je in de vormpjes moet doen misschien te heet om vast pakken met hun handen. Het is onvoorstelbaar wat voor hete dingen die Afrikaanse vrouwen kunnen vastpakken! Ik verbrand dan gewoon mijn pollen! Op zo’n moment zeiden ze dat ik voorzichtig moest zijn, want dat had mijn man gezegd als ik vertrok ‘Soit prudent!’. De Gert weeral punten gescoord! Dat vonden ze geweldig, een man die in zit met zijn vrouw.
Marina vroeg zich af wat wij met Viviane hadden gedaan. ‘Normaal moet ze niks hebben van blanken, maar deze keer praat ze heel de tijd over jullie! Ze zegt dat dat komt, omdat wij (ook) eenvoudige mensen zijn.’ Bedankt, dat is één van de prettigste complimenten die je ons op dit moment kan geven…
Toen ik onhandig de tafel aan het afkuisen was met een stuk zeep, vroeg Viviane of ik dat kende ‘een stuk zeep’. Bij ons had ze immers enkel vloeibare zeep gezien. Ze vroeg ook of ik al eens een vuur had aangestoken met een lucifer, want wij gebruikten een aansteker.
Een hele hoop heerlijke koekjes heb ik meegekregen. De rest gingen ze verkopen.Verlegen vroeg Marina of ze eens een keer naar onze auto mocht komen kijken. ‘Natuurlijk, kom maar af wanneer je wil en bedankt voor alles!’
In de vroege avond waren we uitgenodigd door Christophe en Nicolas. Zij wilden ons de sfeer laten proeven van een cabaret. Dat is ook een soort café, maar totaal anders dan zo’n danscafé. Het is gewoon bij een familie op de binnenkoer. Het enige licht is het vuur onder een paar heel grote potten. Hierin wordt dolo gebrouwen, het lokale bier. Je krijgt dat in een halve kalebas om te drinken en de bedoeling is dat je zoveel mogelijk drinkt. Uiteraard beslis je zelf. Met andere woorden, wij waren doetjes. Er zijn daar ook vrouwen die zaname verkopen. We vermoeden linzen met veel zout. Lekker aperitiefhapje eigenlijk! Het bier valt ook wel mee. ‘t Is precies frisdrank met alcohol. Er speelt geen muziek, de mensen babbelen met elkaar. Mannen met mannen en vrouwen met vrouwen. Ik vond het daar eigenlijk best wel gezellig!

Daarna naar het volgende feestje, de afscheidsavond van Carolin. Na vijf maanden vertrekt ze weer naar huis. Weeral lekker gegeten en gedronken! Mercikes en wel thuis! Het is hier voor ons een echte gastronomische week!

Gisteren kregen we een rondleiding in een foyer. Dat is een soort internaat. Kinderen moeten hier immers vaak van ver komen om naar een middelbare school te kunnen gaan. In de foyer worden ze opgevangen. Spijtig genoeg hebben zulke foyers meestal niet genoeg middelen om deftig te functioneren. Er zijn slaapzalen, maar niet voor iedereen een matras. ‘s Middags wordt er tô gegeten en ‘s avonds ook. Ontbijt is er niet. Moeilijk om te concentreren in de klas! De vrouw die ons uitleg gaf, die samen met haar man de foyer leidt, was wel erg begaan met de kinderen. Het is zelfs zo dat ze nu een huis huren in Koudougou en Ouagadougou voor drie leerlingen die verder studeren. Ze zegt: ‘We kunnen hen toch niet laten vallen na het middelbaar! Zij hebben de capaciteiten om verder te studeren. Hun ouders kunnen dat niet betalen en zijn zelf ongeletterd, dus zij zouden hun kinderen terug naar het dorp halen om te werken.’ Weeral een ideaal project om te steunen mijns inziens!

Vandaag zijn we op bezoek geweest in de school van Jonas. Een kijkje in de klas electronica en maçonerie. Een gezellige school vind ik. Na een babbel met de directeur blijkt dat hij Nijlen kent! Hij is daar geweest om een garagist te bezoeken die getrouwd is met een vrouw van Nouna. Hij heeft een garage van Japanse auto’s. Jurgen, ken jij die toevallig? Doe hem dan maar de groeten van Innocent van Nouna, priester en directeur van een school in Nouna, Burkina.

Gisteravond hebben we samen met Jana en Jonas de rest van de tô opgegeten. Dan nog was er een beetje over. Gert ging aan de slag, sprak zijn culinaire talenten aan, experimenteerde een beetje en maakte er een dessert mee, een soort rijstpap. ‘t Was niet slecht!

Seffens gaan we nog eens riz sauce eten bij Innocent Mossé en daarna naar de cyber. We zijn van plan om donderdag te vertrekken. Dan kunnen we Suzanna een lift geven naar Ouaga.
Tot ons volgende avontuur! Hopelijk even tof als Nouna! Ik vind het spijtig om hier te vertrekken, maar la route roept ons. We zijn dan ook niet voor niets zigeuners.
Jonas, alvast bedankt voor alles! Het was echt supersupertof! Mercikes! Leve camping Jonas! A la prochaine!

  • Comments(4)//www.tamtamafrikan.be/#post35

De gouden stad

MaliPosted by veerle Mon, January 19, 2009 13:27:17
Twee weken geleden hebben we Burkina verlaten om even terug te keren naar ons geliefde Mali, meer bepaald om naar Le Festival au Desert te gaan in Essakane, ten westen van Timboektoe.

We zijn vertrokken in Bobo, hebben zonder problemen de grens overgestoken en zijn in één trek doorgereden naar Sévaré. Ondertussen kennen we de weg! Daar kampeerden we weer in auberge Canarie met de gratis wifi, hihi.
De volgende dag pikten we Dara op. Dara, de gids van de Dogon. Hij had immers toen gezegd, als jullie naar het festival gaan, zou ik heel graag meerijden. Wij hebben nog een plaatsje vrij, dus waarom niet. We belden hem op en spraken af in Sévaré, want daar weten wij zijn ouders wonen. Dara was dolenthousiast. Ook hij was nog nooit in Timboektoe geweest.

We gaan op pad en passeren Douentza. We stoppen hier even om inkopen te doen. Terwijl Gert en Dara naar de markt gaan, maak ik een praatje met een man die net terug is van Timboektoe. Hij zegt dat de piste er heel goed bijligt, dat ze die speciaal voor het festival opgekalafaterd hebben. Hoop en al drie uur rijden, beweert hij. Goed nieuws, want volgens de Lonely Planet is het acht uur rijden. Pak nu nog dat het vier uur is, dan nog hebben we genoeg tijd om vandaag nog in Timboektoe te geraken.
Douentza laten we achter ons en we nemen de piste naar Timboektoe. Dè piste naar de legendarische stad! Ik ben in mijn nopjes en Gert ook!
Als we onderweg stoppen om iets te eten, valt het Dara op dat we veel groenten eten en ook dat we onze handen wassen met zeep. Hij vindt dit alles zeer belangrijk. Hij wil vooral dat het Malinese volk beseft hoe belangrijk dit is. ‘Slechts de laatste jaren maakt de staat publiciteit voor het wassen met zeep’, zegt hij, ‘vooral via de radio.’ Dara is er zo gemeend mee begaan, ongelooflijk vind ik dat. Het is me zelf al opgevallen dat er overal langs de kant van de weg grote plakaten staan ter preventie van aids, met welsprekende tekeningen, het eerste land waar we dit zien.
Het landschap wordt steeds woestijnachtiger en is vooral zeer verlaten.

Op een bepaald moment beseffen we dat we Timboektoe niet meer zullen halen voor het donker is. We passeren een kampement, maar Dara stelt voor door te rijden tot aan de bac, de overzetboot over de Niger. ‘Daar zullen we zeker kunnen kamperen,’ zegt hij, ‘en anders rijden we nog door tot Timboektoe. Het is niet ver meer.’ Waarom weet ik eigenlijk niet, maar we volgden zijn raad op. In de pikkendonkere reden we in een bocht bijna de dijk af, de rivier in. Uiteindelijk kwamen we aan bij de bac en wat bleek: de bac vaarde niet meer, pas morgenvroeg om zes uur! Logisch eigenlijk, ‘t is donker! Daar stonden we dan, samen met een groep Italianen die razend waren op hun gids. Bushcampen kan je wel vergeten, je zit op een dijk, links en rechts water en op de dijk stalletjes en hutjes van de ‘bacmensen’. Dara vond het daar echter prima. Hij wou dat we ons als eerste auto zette om morgen de bac op te rijden en daar dus gewoon onze tent opendoen. Dat zagen wij echter niet zitten: morgen om zes uur holderdebolder moeten inpakken, iedereen ophouden die snel op die bac wil, kwade chauffeurs en tussen de kraampjes en mensen, nee danku. We zeiden tegen Dara dat we tijd hadden, dat we toch niet perse die eerste bac moeten hebben. Uiteindelijk hebben we ons naast een familie gezet, met toestemming van de man des huizes, net naast de weg, ietsekes rustiger. Dara mocht, met toestemming van de imam van het bacdorpje, ergens mee in een tent slapen. Hij vond het allemaal dik in orde. Voor ons werd het die avond en de volgende ochtend een kiekeskot, een zottekot, een duivekot of beter gezegd een kindercrèche. Alle backinderen volgden nauwgezet elke beweging die we maakten. De poppenkast was open. Hadden we maar gewoon rustig gebushcamped en niet naar Dara geluisterd. Mensen hier begrijpen echter niet waarom je niet bij mensen wil slapen en waarom wel helemaal alleen in het donker in een bos. Ze willen ook altijd eerst aan de bac of aan een grens ofzo zijn, terwijl het daarna vaak veel rustiger is.
‘s Morgens kijkt Gert nog even de vooras na, omdat er iets is beginnen rammelen na die piste. Dat was voor de kinderen hellemaal feest natuurlijk. Dan draaide ik onze kraan open om af te wassen en stoven ze weer naar mij. Zo ging het heen weer. Wie het interessantste deed, had de kinderen.
Als we met alles klaar waren, namen we rustig de bac. Zalig, een uur op de boot, vind ik wel leuk…
Na de bac bleek het nog 14km asfaltweg naar Timboektoe. Verder dan we dachten. Al goed dat we dat de dag voordien niet in het donker nog gedaan hadden.

Daar zijn we dan, in Timboektoe. Bouba wacht ons op en brengt ons naar zijn familie, naar Salim, de neef van Zenabou. Ze hebben een eenvoudig, maar proper huis, vier kamers, woestijnzand op de grond en een binnenkoer met een tent. Het lijkt ons dat dit gezin het beter heeft dan Zenabou. Wij staan met onze tent op de duin naast het huis. Dara krijgt binnen een plekje. We mogen het toilet, anex douche gebruiken en ten allen tijde rustig op een mat op de koer thee drinken. ‘s Nachts gaat de poort wel op slot, dus ophouden tot ‘s morgens of een putteke graven ☺ De mensen laten ons hier wel met rust. Misschien omdat we bij Salim horen?
Salim vertrok net met toeristen op kamelentocht, dus die hebben we niet veel gezien. We leren Claudia kennen, een gekke Duitse madam, die ooit geld gegeven heeft voor een operatie voor Salim en daarom nu uitgenodigd is door de familie voor het festival.
‘Uitnodigen’, dat is een woord dat al voor veel misverstanden gezorgd heeft tussen culturen:
Salim had Claudia uitgenodigd. Claudia had gezegd: ‘Alleen als ik een goedkoop vliegticket vind, kom ik.’ Salim zei: ‘Als jij tot in Timboektoe kan komen, dan zorg ik voor de rest.’ Claudia vond een goedkoop ticket en kwam af. Ze wist niet dat het festival 130 euro kost. Salim zou het vervoer regelen. Dat deed hij, maar niet met publiek transport, nee, hij huurde een 4x4 voor Claudia en nog twee mensen. Heen en terug zou dit 230 euro kosten, 77 elk dus. Er ging nog een hoop volk mee met de 4x4, Toearegs, familie. Zij kunnen dit niet betalen, dus iedereen gaat ervan uit dat de drie blanken betalen. Claudia had dit alles niet verwacht en wist niet goed wat te doen. Ik had met haar te doen, ze was zo fier dat ze uitgenodigd was…
Dara krijgt van ons een lift. Wij denken hem hiermee een groot plezier te doen. Al gauw blijkt dat hij geen geld heeft, dat hij dus een week lang zal mee eten met ons. Op zich geen probleem, maar het is allemaal zo onduidelijk. Er wordt niet over gepraat, er wordt niets gevraagd, er wordt vanuitgegaan. Is het omdat wij hem ‘uitgenodigd’ hebben?
Toen we in Timboektoe aankwamen, hadden we honger. Bouba zei dat we wat verder in een restaurantje konden eten. Het was toeristisch, dus niet goedkoop. Bouba, Dara, Gert en ik aten er. De rekening komt, niemand mouved, er wordt vanuit gegaan dat wij betalen. Ik ben eigenlijk een beetje slechtgezind. Zelf koken en anderen eten geven, vind ik niet erg, maar de rekening op restaurant betalen, vind ik nog anders. Later zal dit nog eens voorvallen, dan wisten we het al wel en dan konden we de rekening delen met nog enkele nieuwe Belgische vrienden.
Later regelt Bouba publiek vervoer naar het festival voor twee vrienden en vraagt aan hen of het goed is dat Dara met hen mee gaat, zo kan hij met ons mee om de weg te wijzen. Geen enkel probleem, maar weer blijkt dat ervan uitgegaan wordt dat de twee blanken voor Dara betalen.
Bouba helpt ons wel weer om onze weg te vinden in Timboektoe, is het daarom dat hij ervan uitgaat. Evengoed betalen we hem stevig voor een dag als gids, om hem een plezier te doen.
Waar ligt de grens, wat wordt in ruil verwacht voor wat? Voor wat hoort wat? Onduidelijkheid. ‘Uitnodigen’, wat betekent dat woord en wie nodigt wie uit? Of is het gewoon de blanke betaalt? Ik begrijp het niet en ben er wat teleurgesteld in. Op den duur lijken wij geldfreaks, wat echt niet is. We willen gewoon niet met ons laten sollen. Bouba, Dara, gewoon even vragen en niet ervan uitgaan, zou voor mij al veel betekenen.

Bouba heeft ons dus gegidst door zijn geliefde Timboektoe. Hij voerde ons langs drie moskees (niets in vergelijking met die van Djenne), langs de huizen van ontdekkingsreizigers, langs een museum met oude manuscripten (superinteressant!), langs de tent en waterput van Bouctou, stichtster van Timboektoe (geloof ik geen snars van), langs een museum met oude dagdagelijkse voorwerpen van de Toearegs (leuk!), langs de grote markt (eigenlijk klein) en langs de kleine markt (waar is die?).
René Caillié had gelijk, Timboektoe, de gouden stad, stelt niets voor. Het is puur een mythe… Het is er zelfs heel vuil, vuiler dan Djenne (sorry, Bouba). In heel de stad zag ik één vuilbak, de rest ligt op straat. Maar hé, we kunnen wel zeggen dat we in Timboektoe geweest zijn! En dat vind ik toch eigenlijk echt wel tof. Wat wel heel speciaal is aan de stad, is dat ze echt zo afgelegen ligt, 200km piste van de asfaltweg en op de rand van de woestijn. Salims huis ligt echt al in de duinen. Naast zijn huis zijn enkel nog tenten van nomaden.

Een historische noot voor de liefhebbers:
*In het jaar 1000 was er een vrouw, Bouctou (betekent grote navel), die zich settelde naast een waterput. Alle handelskaravanen, van noord naar zuid en van oost naar west, passeerden hier. Bouctou lette soms op spullen van de nomaden, die dit op de terugweg weer oppikten. Zout kwam uit het noorden en werd geruild voor goud, slaven en ivoor dat uit het zuiden kwam. Nu nog steeds vertrekken er dagelijks karavanen met kamelen om zoutplakken te gaan halen in Taoudenni, midden in de woestijn. Het is een trip van ongeveer een maand heen en terug. Die mannen zitten 15 tot 18 uur per dag op hun kameel, eten en slapen erop. Ze eten dadels, apennoten, gedroogd geitenvlees en rijst. Ben je ziek? Pech, je moet verder, geen andere keuze.
In het museum in Bouctou kan je de oorspronkelijke tent met bed en de waterput (die nu droog staat) van Bouctou zien. ‘Altijd bewaard geweest door de familie,’ zeggen de mensen. Ik vind dit echter zeer ongeloofwaardig! ‘t Ziet er mij allemaal nogal nieuw hout uit! Ik kan wel geloven dat het de plaats is waar de waterput was, maar meer toch niet, hoor!
*Vanaf de 14de eeuw werden er islamitische scholen opgericht in Timboektoe. Timboektoe was toen zeker een geletterde stad. Er zijn ongeveer 5 miljoen manuscripten bewaard gebleven! De oudste dateren van de 12de eeuw. De reden waarom ze zo goed zijn bewaard is dankzij het droge klimaat en doordat ze in familiekring bleven. Wij hebben één archief bezocht waar ze manuscripten restaureerden. Je vindt er korans, boeken over biologie en astrologie, poëzie, familiegeschiedenissen van soms 400 jaar… Sommige manuscripten komen van Granada toen in 1492 de moslims verdreven werden uit Andalusië. Superinteressant! De gids in het museum was erg gedreven en fier op hun werk!
*In de 15de eeuw is Timbouctou een rijke stad, maar vanaf de 16de eeuw gaat het achteruit, vooral sinds de Europese schepen een deel van de handel overnamen van de karavanen. In de 18de eeuw is Timboektoe in handen van de Songaï, begin 19de eeuw overheersen de Fula (Peul), eind 19de eeuw de Toearegs. Is die stad dan eigenlijk wel van de Toearegs, zoals zij zelf beweren?
*Timboektoe wordt ook de stad van de 333 heiligen genoemd. De graven liggen deels op een kerkhof, deels in de stad, deels op privégebied. ‘Hoe weten ze dat het er 333 zijn?,’ vraag ik aan Bouba. ‘Euh, er zijn mensen, die dat kunnen weten, die zich daar mee bezig houden.’ ‘Aaah!’
*René Caillié was een arme Franse jongen die in het begin van de 19de eeuw leefde. Hij hoorde dat de Franse staat veel geld zou geven aan de eerste Fransman die Timboektoe zou bereiken en ook levend kon terugkeren. Voorgangers waren immers vermoord en hebben nooit de geheimen van Timboektoe thuis kunnen navertellen. René bereidde zich een jaar voor. Hij bestudeerde de islam en vermomde zich als moslim. Hij bereikte Timboektoe en werd binnengelaten door de imam en aanvaard, omdat hij moslim was. Hij keerde terug naar huis en vertelde dat Timboektoe helemaal geen gouden stad was, dat er niets speciaals aan was. De Fransen waren teleurgesteld en stopten zijn verhaal in de doofpot. Na enkele jaren overleed René aan een ziekte.


In Timboektoe leren we Dieter, Leen, Mariska en Karlien kennen, vrienden van Maïka die ook afkwamen voor het festival. Keileuk om nog eens te kunnen babbelen en van mening te kunnen wisselen met gelijkgezinden, over ‘uitnodigen’ enzo. Bouba, Leen, Mariska en ik trokken nog eens naar de stad, terwijl Gert nog wat aan de auto werkte. Ik vond het reuzegezellig in de stad onder meiden (en Bouba ;-) We kochten samen een hoop groenten op de markt en maakten de afspraak dat we op het festival samen zouden koken, voordelig en gezellig! Toch gemakkelijk afspreken met Vlamingen! Ieder betaalt een deel, we koken samen en wassen samen af!

En dan dus hop naar het festival, naar Essakane! Los zand voor 70km, Salim rijdt voor, Bouba zit bij ons. Gert aan het stuur en het gaat geweldig! Gert vindt het zelfs plezant!

Na drie uur komen we veilig aan en installeren ons op een duin, onder een boom, dichtbij de andere overlanders. We zien Jonnie en Sanna hun Defender al staan! Via hun website wisten we dat ze hier zouden zijn. We hebben hen ontmoet in Chefchaouen, Marokko. Gedurende de drie festivaldagen kletsen we bij, wisselen we info uit. Blijkt dat zij ondertussen Matt en Anna en ook Roxy en Steve hebben leren kennen. De wereld van overlanders is klein.
In de namiddag kon je op een duin naast het hoofdpodium genieten van echt traditionele muziek. En wat liep er ook rond? Een Franse fanfare! Tof eigenlijk! Amateurs die voor het plezier naar hier kwamen. Die kunnen dus zeggen dat ze op Le festival au Desert gespeeld hebben. Ze amuseerden zich rot. We hebben een cd gekocht. Tja, daar moet je dan voor naar Mali komen! Lang geleden, dat we niet konden afbieden! We zijn ook een Toeareg tegengekomen die op Sfinks was geweest! Sfinks wordt trouwens vermeld als supporter.
‘s Avonds kwamen de bekende ‘moderne’ groepen. Wel echt Toearegmuziek, maar met elektrische gitaren enzo. Er waren ook een paar internationale groepen, bijvoorbeeld van Mauretanië. Normaal gezien ging Zap Mama komen de laatste avond, maar ze zijn niet komen opdagen! Dat vonden we zo spijtig! Dat had echt graaf geweest, een Belgische groep op Le Festival au Desert! Maïka, die als vrijwilliger werkte, moest voor Zap Mama zorgen, als ze aankwamen. Tot het laatste moment hebben we hoop gehad, maar ze hebben hun kat gestuurd. Spijtig, het zou ook wel een leuke afwisseling geweest zijn tussen al die Toearegmuziek. Die muziek is wel tof, hoor. We zijn er echt van gaan houden, maar drie dagen is wel veel!
Enkele namen van het programma: Salif Keita, Tinariwen, Tartit, Imarhan, Desert Blue.
Salif Keita is een albino, die als kind erg gepest en buitengesloten werd. Hij keek op naar de griots, de zangers van de familiegeschiedenissen. Hij begon zijn gevoelens in de muziek te leggen en voici, hij is nu megaberoemd. Laat die pesters van toen, maar een poepie ruiken, Salif!
Een anekdote over Tinariwen en mezelf: de eerste dag zei een man in het publiek: ‘Als je wil, mag je een foto van mij trekken, hoor.’ Hij had gewone kleren aan en was geen knapperd, dus ik vroeg verontwaardigd: ‘Pourquoi?’ ‘Ok, dan niet,’ zei hij, ‘geen probleem.’ Iets later komt Maïka eraan en zegt: ‘Hé, dat zijn die gasten van Tinariwen!’ Tja.
Tartit is de enige vrouwengroep. Ze komen dan ook volop op voor de vrouwen. Veel Toearegvrouwen en kinderen hebben we daar trouwens niet gezien!
Desert Blue is samengesteld uit drie groepen, reeds enkele jaren, speciaal voor het festival. De artiesten komen uit drie verschillende etnische volkeren. Wat absoluut niet vanzelfsprekend is hier in Mali!
‘s Avonds werd het berekoud in de woestijn. De dekens en tulbanden verkochten goed! Gelukkig hadden wij al een bedoeïenendeken! Ze staken gezellig warme manden met kolen aan op de toeschouwersduin. De duin fungeerde wat zoals een amfitheater. Volgens Gert is die duin wel verplaatst binnen enkele jaren. Het podium is echter van beton. ‘Wat zullen ze dan doen?’ vraagt Gert zich af. Iedereen die een kameel had, keek vanop zijn kameel naar het podium. Gemakkelijk, hoog en droog! Een grappig zicht!
Wel mooi, hoor, die Toearegs in hun traditionele kledij op hun kamelen tussen de duinen. Bij de opening van het festival defileerden ze één voor één voorbij het podium: in galop met wapperende kleren en getrokken zwaard. Vrouwen die hen toejuichen met het typerende tonggeluid (‘kweet nie hoe ik dat moet beschrijven!).

Tijdens de dag zaten we veel bij ons kapementje. Het werd een gezellige ontmoetingsplaats, voor ontbijt, koken, thee, een glaasje wijn. Ik vond dat echt tof! Iedereen die we kenden kwam wel eens langs!

Le Festival au Desert, het was een hele ervaring, het was tof en gezellig, maar het was geen 130 euro waard. We hadden niet echt het woestijngevoel. De helft van het volk was blank. Een uitspraak van Bouba: ‘Ge vindt hier niemand terug! Iederéén is hier blank!’ Nochtans was er veel minder volk dan anders, want onder andere de Amerikaanse ambassade zou het afgeraden hebben, omdat het te gevaarlijk zou zijn in Noord-Mali en de Amerikanen luisteren nogal goed naar dat advies.
Eigenlijk was het een festival zoals bij ons, maar dan met kamelen en zand en slecht georganiseerd. Er waren bijvoorbeeld geen vuilbakken! Drie dagen veel mensen die kamperen, is veel afval! Voor 130 euro mogen ze wel een vuilbak kopen, vind ik. Enfin, blijkbaar was er geld tekort, want er was ook slaapplaats te weinig, zelfs voor de artiesten. Een grote Amerikaanse sponsor had afgehaakt. Zijn we misschien te kritisch? Hebben we al teveel gezien? Zijn we verwend?
Het domein heeft geen hek ofzo, maar wordt langs alle kanten bewaakt door militairen. Zij houden overal een oogje in het zeil. Zo zeggen ze vriendelijk tegen sommige onnozele toeristen in bikini, dat ze hun kleren moeten aandoen.
Een politieverhaal: Maïka haar gsm was gestolen. Ze informeert de politie. Die vindt hem terug bij kleine gasten. Ze krijgt hem terug, maar zonder batterij en zonder simkaart. De politie: ‘We kunnen ons onderzoek eventueel wel verder zetten, maar dat vraagt tijd en moeite enzo. Dat kost toch wel wat.’ Maïka wou absoluut haar simkaart terug voor telefoonnummers enzo en betaalt dus de politie. Onmiddellijk krijgt ze de kaart. De batterij niet, die zullen ze zelf kunnen gebruiken of verkopen, want originele vind je hier niet, enkel Chinese namaak.
Ondanks alle kritiek, hebben we ons wel heel goed geamuseerd, hoor. Wie geïnteresseerd is, kan een kijkje gaan nemen op www.festival-au-desert.org

Oorspronkelijk was het festival een jaarlijkse bijeenkomst van Toearegs om hun tradities samen te vieren. Sinds 2001 hebben ze hun deuren geopend. Ik vraag mij af hoe lang de Toearegs nog gaan blijven komen. Dit heeft nog weinig te maken met hun tradities mijns inziens.

De dag na het festival vertrekken we op het gemakske. We geven Bouba een lift tot Timboektoe. Dara heeft zelf vervoer geregeld en gaat naar de Dogon met Mariska en Karlien. Wij rijden verder richting bac. Eindelijk terug onder ons tweetjes. Ik geniet ervan. Aan de bac staan ongeveer 15 auto’s in de rij. Er kunnen er 10 op één bac. Wachten dus, maar we hebben tijd. Plots zien we Leen daar terug. Leuke verassing!
Gert en ik besluiten die nacht te slapen in het kampement 35km van de bac, aan de overkant. Als we eraan komen, vraagt die man een belachelijk hoge prijs en we mogen ook niet zelf koken, bovendien is hij niet echt vriendelijk. Hij weet maar al te goed, dat er verder niets is en het begon al te schemeren. Ik was teleurgesteld, voelde me net Jozef en Maria. Het zag er zo gezellig uit. Ik had er naar uit gekeken. Maar onze trots won, we reden verder en hebben gebushcamped. Geen ziel gezien, lekker rustig, zowel ‘s avonds als ‘s morgens.
De volgende dag zijn we tot Douentza gereden en kampeerden daar in een leuk kampement. We ontmoeten er een Nederlands jong koppel, die misschien nog naar de Dogon wilden. We geven Dara’s telefoonnummer!

Onze volgende uitstap is een tip van Jonnie en Sanna: een gloednieuwe piste door Pays Dogon, door de bergen dus, langs dorpjes, van Douentza naar Bandiagara en dan via Djibongo naar Bankas. Ze hadden gelijk, het was PRACHTIG. De Dogon is zo mooi! Ik vind het onvoorspelbaar. Je komt bijna geen auto’s tegen, tot plots een tegenligger, een overlandtruck, een Belgische nummerplaat! De man vraagt: ‘Flamand ou Wallon?’ ‘Flamand, et vous?’ ‘Wij ook!’ Een babbeltje gedaan en weer verder gereden.
We sliepen in Djibongo, een Dogondorp. Het kampement stelde echter niet zoveel voor. Er was niet veel water voorhanden, zoals overal in de Dogon. Omdat we een hoop was op het dak hadden liggen (Saharawasmachine), die moest gespoeld worden, reden we de volgende dag verder naar Bankas. Daar zijn we nu, een rustig stadje en een heel gezellig kampement!

Morgen steken we de grens over in Koro, weer naar Burkina. Normaal zullen we overnachten in Ouahigouya. Daar zullen we proberen de blog te updaten om vervolgens richting Nouna (west Burkina) te rijden. Daar werkt Jonas aan een project. Hem hebben we leren kennen net voor we vertrokken, op het feestje van Poco a poco. Dat zijn onze plannen, ‘t kan natuurlijk altijd veranderen!


  • Comments(8)//www.tamtamafrikan.be/#post34

Hippos, muziek en diarree

Burkina FasoPosted by veerle Fri, January 02, 2009 17:25:07
Na de vorige post ben ik twee dagen goed ziek geweest, de reizigersdiarree. Tja, iedereen moet dat eens meemaken, zeker. Wij zijn al blij dat het de eerste keer is na bijna vier maanden! Diarree dus en een beetje koorts, maar vooral moe. Ik heb dus twee dagen geslapen, bijna niets gegeten, naar ‘t WC gegaan, Inulac genomen en af en toe een immodiumeke. De tweede dag had ik ‘s morgens goeie moed en ging ik mee met Gert naar het internetcafé. ‘t Was daar echter vrij warm en ik voelde dat ik van mijne sus ging draaien, dus ik heb me daar neergelegd op de lekker frisse vloer. ‘t Was daar goed op de vloer, maar ge kunt denken dat ik nogal bekijks had! Een toubab strijk op de grond! Dus ik terug recht en ik bestel een colake. Tien minuten daarna draai ik weer weg. Gert heeft snel de computer ingepakt, een taxi geroepen en wij terug naar de auberge, waar ik dan in mijn bed ben gekropen. ‘s Avonds ging het al een stuk beter. Er arriveren ook nog twee Vlamingen, Jonas van Mortsel en Jana van Boechout, die we eerder al eens kort ontmoet hadden in Djenne. We drinken er een pint mee (ik een waterke) en hebben nog een gezellige avond.

De volgende dag ben ik echt een pak beter en we besluiten naar het dorp Tengrela te gaan, naar kapement Farafina, ons aanbevolen door Matt en Anna. Eerst is het 85 km tot in Banfora, vervolgens 7 km piste tot in Tengrela. Het is echt een piepklein dorp. De vrouwen staan aan te schuiven aan de waterpomp en vertrekken dan met grote kommen water op hun hoofd (en ze morsen bijna niets!). In het kampement is het WC weer een gat in de grond met een muurtje eromheen gebouwd. De douche is een hokje met een schuinaflopende vloer, zodat het water door een gat beneden in de muur op straat kan lopen. Ongelukkiglijk zijn die muurtjes eigenlijk net te laag, dus uw hoofd steekt eruit en degene die naast je staat te douchen hoeft maar een blik opzij te werpen om u in uwe pure te zien staan. Zo was er toch wel eens een Burkanibé die zich toevallig ging omkleden in het hokje naast mij en hij had precies een afwijking aan zijn ogen, want die dwaalden steeds af! Waarom maken ze die muren niet een beetje hoger? Was het geld op? Enfin, c’est l’Afrique en al bij al wel grappig. Langs de andere kant van het muurtje is trouwens gewoon het dorp. De mensen passeren dus op weg naar huis en groeten het blanke hoofd dat boven de muur uitsteekt. Voor je een douche kan nemen, moet je eerst je emmer vullen aan de put. Heisen maar! Ik kan u verzekeren dat ge daar spierballen van krijgt. Volgens mij hebben al die Afrikaanse vrouwen supersterke spieren. Dat is pas sport!
Blog ImageTot zover de beschrijving van het sanitair. Voor de rest is het kampement heel erg gezellig, veel bomen, leuke hoekjes met tafeltjes en stoelen, veel ruimte en bovenal geen verkopers! Niemand die ons daar lastig viel! De baas Soulyman is een vriendelijke rastaman. Gert krijgt al onmiddellijk les in het bespelen van de balafon. We besluiten hier te blijven voor oudjaar.
De dag na aankomst heeft Gert het vlaggen, de reizigersdiarree. Waarschijnlijk overgekregen van mij. Een dagje hangen in de hangmat dus. Gelukkig is hij er de volgende dag al zo goed als vanaf.

Het dorp is bekend om zijn meer. Het meer is zo’n 100 hectare groot en er leven een paar honderd nijlpaarden! Voor 2000 CFA kan je mee op een prauw om nijlpaarden te spotten. Het was een prachtige ervaring! We gingen tussen vier en zes uur ‘s avonds, dan is de lichtinval zo mooi hier in Afrika. Het meer en omgeving is heel erg mooi! Riet langs de oever, lelies in het water, bomen op het land… En dan zien we twee nijlpaarden! Uiteraard enkel hun kop, maar ze geven een showke, spuiten door hun neusgaten, openen hun bek, brullen eens luid. Indrukwekkend! Wauw! Dat had ik nog nooit gezien, nijlpaarden in het wild! Echt leuk!
Blog ImageOns rustig kampementje is voor Gert dè plek om nog eens wat aan de auto te werken. Hij wil al lang het oliepeil van de versnellingsbak controleren, maar niemand krijgt de bout open. Gert heeft de hele dag geprobeerd totdat de bout echt compleet kapot was, maar niet open. Al het werk van die dag voor niets dus. Een tijdje geleden heeft Gert trouwens ontdekt dat de garagist in Bamako ons bedrogen heeft. Hij moest een oliewissel doen, wat hij gedaan heeft, maar Gert had hem ook een nieuwe oliefilter gegeven om de oude te vervangen. Nu blijkt dat die oude er nog steeds in zit! Hij heeft de nieuwe dus gewoon gestolen! C’est l’Afrique!
Terwijl Gert aan de auto knutselde, heb ik als een brave Afrikaanse huisvrouw de was gedaan. Emmertjes halen uit de put en schrobben maar. Eerlijk gezegd af en toe eigenlijk leuk om te doen! Ik kan daar wel van genieten, mooi weer, alle tijd, niet teveel nadenken, gewoon wassen en alles gadeslaan. Elke dag voor een hele familie, das natuurlijk een andere kwestie!
Blog ImageGert en ik bereiden ons voor op een rustige oudejaarsavond, want er is niet veel volk in het kampement. We hebben olijfjes gekocht en pringels, maar we verlekkeren ons vooral op de fles Piper Heisich (van Tom gekregen op het vorige Watts nieuwjaarsfeestje, merciekes), die heel de tocht vanuit België overleefd heeft, die gepaseerd is langs alle douanes!
Genieten wordt het wel, rustig niet. ‘s Avonds arriveert er plots een grote groep Nederlanders. Zij reizen samen met een groep muzikanten van Burkina Faso, die in Lozane wonen. Die gasten hebben daar een fantastisch djembeoptreden gegeven! Daarna was onze Soulyman en familie aan de beurt met de balofons, drums en zijn zussen die dansten. Toftof!
Toch nog muziek dus, want het festival dat normaal op dit kampement zou doorgaan, werd na enkele dagen stopgezet, omdat het dorpshoofd overleden was en dan mag er vier dagen geen feest gevierd worden.
Enfin, ‘t was een leuk oudjaar. Eén minpuntje: die muzikanten die bij de groep Hollanders waren, die plasten altijd in de douche!!!! Wij maakten van onze tak en zeiden dat ze zich vergisten, maar ze trokken zich er weinig van aan! Eén ding was zeker, de volgende dag ging ik geen douche nemen in het eerste hokje! Wat zagen we ‘s morgens? Die gasten stonden te douchen in het toilet! Deden ze het erom ofwa?! En ik moest naar het toilet!

Die ochtend komt Marlon, de organisator van de groep Nederlanders, nog dag zeggen. Even babbelen over de auto en hij zegt dat hij een zeer goede en vooral betrouwbare Franse mechanicien kent in Bobo. We spreken de volgende ochtend af. Hij zou ons er naartoe brengen. Fantastisch!

Op weg naar Bobo rijden wij nog langs twee natuurfenomenen in de buurt: de ‘dômes’, grote speciale rotsen en een waterval. We parkeren bij het tickethokje van de dômes en stappen van daaruit naar de waterval, een wandeling van ongeveer drie kilometer. Omdat we dan langs de andere kant van de watervallen aankomen, passeren we niet langs het tickethokje en moesten we niet betalen! Dat had zelfs de man van de dômes ons gezegd: ‘Als je geluk hebt, ziet hij je niet en dan moet je niet betalen!’ Want ja, in Afrika moet je voor alles betalen, ook voor een waterval. ‘t Gaat hier wel maar om 1000 CFA (1,50 euro), hoor. Burkina is trouwens opmerkelijk goedkoper dan Mali. De prijzen kloppen hier nog met die uit de gidsen. Die van Mali zijn al allemaal opgeslagen.
Blog ImageNa onze natuurwandeling rijden we terug naar Casa Afrika in Bobo.
En dan zijn we vandaag. Marlon kwam ons vanochtend ophalen en bracht ons naar de Franse mechanicien. We konden echter niet onder de poort van zijn garage. We waren weer te hoog. We bespreken wel uitgebreid alles. Gert stelt alle vragen die hij had en de man verzekert ons dat het allemaal niet erg is, dat er eigenlijk niets an de hand is en dat we beter in Ghana alles grondig laten nakijken. De Ghanezen zijn experts in Land Rover en hebben alle onderdelen (Engelse kolonie geweest, vandaar). ‘Kunnen we dan nog zonder de olie te verversen in de versnellingsbak tot in Timboektoe rijden en terug?’ ‘Geen probleem’ ‘Ok, dan gaan we naar le Festival au Desert!’ besluiten Gert en ik na weken twijfelen en we schudden elkaar de hand.
De Fransman belt voor ons ook nog Nicolas op, een Belg. Hij is net door Ghana gereden en zou ons wat info daaromtrent kunnen geven. Nicolas arriveert snel en heeft zijn wegenkaart bij. Na wat info uit te wisselen, zeggen we gedag. Heel erg bedankt, Marlon!!!

We reppen ons naar het internet om Dara, Bouba en Maïka te verwittigen dat we naar het festival komen! Het zal een blij weerzien worden! Dara belden we op, we zullen hem een lift geven vanaf Sévare.
Timboektoe, stad van de woestijn, stad van de legenden, stad van de Toearegs, gouden stad…, we komen eraan!


  • Comments(9)//www.tamtamafrikan.be/#post33
« PreviousNext »